Uitspraak Nº 13/846026-16 (Promis). Rechtbank Amsterdam, 2018-06-12

Datum uitspraak:2018/06/12
Uitgevende instantie::Rechtbank Amsterdam
 
GRATIS UITTREKSEL
RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/846026-16 (Promis)

Datum uitspraak: 12 juni 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank wijst dit vonnis naar aanleiding van het onderzoek op de zittingen van 14 en 16 mei 2018 (inhoudelijke behandeling) en 29 mei 2018 (sluiting van het onderzoek ter terechtzitting).

Het Openbaar Ministerie is op die zittingen vertegenwoordigd door mrs. H.H.M. Beune en J.H.J. Klein Egelink, beiden officier van justitie. In het vervolg zullen zij gezamenlijk worden aangeduid als ‘de officier van justitie’. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en zijn raadsman mr. D.C. Vlielander naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt samengevat verweten dat hij zich - met anderen - heeft schuldig gemaakt aan:

1. het opslaan en/of voorhanden hebben van ongeveer 35.000 kilogram professioneel vuurwerk;

2. het voorbereiden en/of bevorderen van handelingen zoals strafbaar gesteld in artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit, te weten het binnen Nederland brengen, opslaan en aan anderen ter beschikking stellen van professioneel vuurwerk;

3. het deelnemen aan een criminele organisatie;

4. het binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of voorhanden hebben en/of ter beschikking stellen van 625 kilogram en/of 2500 stuks professioneel vuurwerk.

De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis. Die bijlage hoort bij dit vonnis en maakt hiervan deel uit.

3 Voorvragen

Op grond van artikel 348 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) moet de rechtbank voordat zij aan de inhoudelijke beoordeling van de zaak toekomt, onder andere onderzoeken of de dagvaarding geldig is, of de rechtbank bevoegd is om over de zaak te oordelen en of de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging.

3.1.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de dagvaarding partieel nietig dient te worden verklaard voor feit 2. De dagvaarding bevat onder feit 2, eerste gedachtestreepje, de zinsnede “binnen het grondgebied van Nederland te brengen”. De tenlastelegging is op dit punt onvoldoende feitelijk want er is niet nader omschreven hoe verdachte vuurwerk binnen Nederland zou hebben gebracht. De uitvoeringshandelingen die vervolgens worden omschreven zien namelijk niet op het binnen het grondgebied van Nederland brengen. Verwezen wordt naar een uitspraak van de rechtbank Overijssel van 18 december 2017 (ECLI:NL:RBOVE:2017:4662).
Daarnaast stelt de verdediging zich op het standpunt dat de rechtbank niet bevoegd is tot kennisneming van onderdelen van het onder feit 1 ten laste gelegde, dan wel het Openbaar Ministerie voor die onderdelen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Ten aanzien van feit 1 kan verdachte alleen het strafrechtelijk verwijt worden gemaakt dat hij op 18 oktober 2016 in Kevelaer (Duitsland) volgens Nederlandse wetgeving illegaal vuurwerk voorhanden heeft gehad. Het feit is dus gepleegd in Duitsland. Voor strafvervolging daarvan in Nederland is op grond van artikel 7 eerste lid Wetboek van Strafrecht (Sr) vereist dat het aangetroffen vuurwerk ook naar Duits recht strafbaar is, de zogenoemde eis van de dubbele strafbaarheid. Naar het standpunt van de verdediging is alleen van de in feit 1 opgenomen cobra’s 6, cobra’s 8 en tweeënvijftig flowerbeds komen vast te staan dat dit vuurwerk in Duitsland verboden is, omdat het om categorie F4 vuurwerk gaat. Voor de in feit 1 opgenomen Chinese rollen, Romeinse kaarsen, lawinepijpen, shells en de overige achthonderdvijf flowerbeds staat de classificatie/categorisering niet vast. Daardoor is de strafbaarheid in Duitsland van dat vuurwerk op grond van artikel 40 van het Duitse Sprengstoffgesetz, niet vast te stellen. De dubbele strafbaarheid voor die onderdelen staat daarmee niet vast, met als gevolg dat de rechtbank geen rechtsmacht heeft om daarvan kennis te nemen, dan wel het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging daarvan.

3.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat de tenlastelegging van feit 2 geen gebreken vertoond. Het onder feit 2 door de verdediging betwiste onderdeel dient niet partieel nietig te worden verklaard omdat de term binnen het grondgebied van Nederland te brengen voldoende feitelijk is. Het behoeft niet nader te worden omschreven.

Daarnaast is de rechtbank wel bevoegd tot kennisneming van wat onder feit 1 is ten laste gelegd en is het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging van verdachte. Er is voldaan aan de vereisten in artikel 7, eerste lid Sr. Artikel 1.2.2. eerste lid is, mits opzettelijk gepleegd, via de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten als een misdrijf te kwalificeren. Artikel 40 van het Duitse Sprengstoffgesetz bepaalt welke handelingen met explosiefgevaarlijke stoffen strafbaar zijn. Voldoende voor dubbele strafbaarheid is dat de buitenlandse strafbepaling hetzelfde rechtsgoed beschermt als de Nederlandse strafbaarstelling. Zowel de Duitse als Nederlandse strafbepaling beogen in de kern hetzelfde rechtsgoed te beschermen, te weten de bescherming van mens en milieu. De strafbepalingen in beide landen hoeven niet exact overeen te komen. Het dossier geeft voldoende uitleg over de strafbaarheid in Duitsland en de Duitse autoriteiten hebben ook meegewerkt aan rechtshulpverzoeken waarvoor eveneens is vereist dat er sprake is van dubbele strafbaarheid. De rechtbank is daarmee bevoegd en het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank.

Partiële nietigheid dagvaarding
De rechtbank honoreert het verweer met betrekking tot de partiele nietigheid van de dagvaarding onder feit 2. De dagvaarding voldoet voor wat betreft de zinsnede “binnen het grondgebied van Nederland te brengen” niet aan de eisen van artikel 261 Sv. Het tenlastegelegde “binnen het grondgebied van Nederland te brengen” is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende feitelijk en daarmee onbegrijpelijk, nu dit bestanddeel op geen enkele wijze nader in de tenlastelegging wordt omschreven. Dat maakt het voor verdachte onmogelijk om hiertegen specifiek verweer te voeren. Dit leidt er toe dat de dagvaarding ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde “binnen het grondgebied van Nederland te brengen” nietig zal worden verklaard.
Bevoegdheid rechtbank en ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

De rechtbank verwerpt de verweren met betrekking tot haar onbevoegdheid en de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Artikel 7 eerste lid Sr luidt als volgt: De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit dat door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld.

Vereist is dus dat er sprake is van dubbele strafbaarheid: het feit moet volgens de Nederlandse wet een misdrijf zijn en in het buitenland moet er een straf op zijn gesteld. Is dat niet het geval, dan is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van het feit.

Uit het arrest van het Gerechtshof Leeuwaarden van 27 april 2012 (ECLI:NL:GHLEE:2012:BW4626) volgt dat niet is vereist dat een met de Nederlandse delictsomschrijving als zodanig overeenstemmende buitenlandse strafbepaling bestaat. De buitenlandse strafbaarstelling hoeft derhalve niet in alle opzichten overeen te stemmen met de Nederlandse. Voldoende is dat de gedraging volgens de wet van het land waar het is begaan met straf wordt bedreigd en dat die buitenlandse strafbaarstelling in de kern hetzelfde rechtsgoed beschermt als de Nederlandse strafbaarstelling. Bij deze toetsing van dubbele strafbaarheid gaat het om een abstracte toets, namelijk of in het buitenland op het feit straf is gesteld (abstract), en niet of het feit kan worden vervolgd of de dader er daadwerkelijk voor veroordeeld wordt (concreet). Deze abstracte toets gaat dus niet zo ver dat onderzocht moet worden of alle in de tenlastelegging opgenomen merken of typen vuurwerk in Duitsland verboden zijn.

Voor de abstracte toets heeft de rechtbank naar de Nederlandse en Duitse regelgeving gekeken.

Artikel 1.2.2. eerste lid Vuurwerkbesluit luidt:

Het is verboden professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, indien bestemd voor particulier gebruik, binnen het grondgebied van Nederland te brengen, op te slaan, te vervaardigen, voorhanden te hebben of aan een ander ter beschikking te stellen.

Artikel 40 van de toepasselijke Duitse Sprengstoffgesetz luidt (onder andere):
1) Hij die zonder de noodzakelijke vergunning

1. in strijd met paragraaf 7 lid 1 nr. 1 met explosieve stoffen omgaat.

In artikel 3 van het Duitse Sprengstoffgesetz is weergegeven wat er wordt verstaan onder het omgaan met explosieve stoffen. Daarbij gaat het onder meer om opslaan, vervoeren en gebruiken.

De Duitse strafbepaling heeft als doel het voorkomen van gevaren voor leven, gezondheid of materiële zaken of ter voorkoming van aanzienlijke nadelen of aanzienlijke hinder voor derden. In de Nota van toelichting op het Vuurwerkbesluit (Staatsblad 2002, nr. 33) staat: “Het doel van dit besluit is betere waarborgen te scheppen voor de bescherming van mens en milieu tegen de mogelijke effecten die het opslaan, bewerken en afsteken van vuurwerk kunnen veroorzaken. Het gaat in dit verband zowel om de bescherming van de bevolking in de omgeving van een inrichting waar vuurwerk aanwezig is, de bescherming...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT