Uitspraak Nº 15.004947.20. Rechtbank Noord-Holland, 2020-07-28

Datum uitspraak:2020/07/28
Uitgevende instantie::Rechtbank Noord-Holland
 
GRATIS UITTREKSEL
RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15.004947.20 (P)

Uitspraakdatum: 28 juli 2020

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 14 juli 2020 in de zaak tegen:

[verdachte]

[geboortedatum]

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres (3631NK) Nieuwersluis, Zandpad 3, thans gedetineerd in P.I. Utrecht, locatie Nieuwersluis.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A. van Kooij en van hetgeen verdachte en haar raadsman mr. J.C. de Goeij, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 5 januari 2020 te Hoorn, in elk geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, immers heeft verdachte voornoemde [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp (meermalen) gestoken en/of geprikt in het schouderblad en/of de arm en/of de nek en/of het de zij en/of het gezicht, althans in het lichaam en/of het hoofd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 5 januari 2020 te Hoorn, in elk geval in Nederland aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade
zwaar lichamelijk letsel, te weten diverse steekverwondingen in het lichaam en/of het gezicht, heeft toegebracht door met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp (meermalen) voornoemde [slachtoffer] te steken en/of prikken in het schouderblad en/of de arm en/of de nek en/of de zij en/of het gezicht, althans in het lichaam en/of het hoofd;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 5 januari 2020 te Hoorn, in elk geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in het schouderblad en/of de arm en/of de nek en/of de zij en/of het gezicht, althans in het lichaam en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs
3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit, met dien verstande dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit. Op basis van de stukken kan de rechtbank slechts tot een bewezenverklaring komen van het meer subsidiair ten laste gelegde feit, aldus de raadsman.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.

3.3.2

Nadere bewijsoverwegingen:

Het slachtoffer [slachtoffer] heeft verklaard dat de steekverwondingen die bij hem zijn aangetroffen door verdachte zijn toegebracht. Verdachte heeft over de gebeurtenissen op 5 januari 2020 ter terechtzitting het volgende verklaard.

In de ochtend van 5 januari is zij naar de woning waar het slachtoffer verbleef gegaan om een gesprek met hem te voeren over hetgeen zich de avond daarvoor heeft afgespeeld. Nadat de deur wordt geopend door de bewoonster, een vriendin van het slachtoffer, krijgt verdachte te horen dat het slachtoffer op de eerste verdieping op bed ligt te slapen. Zij gaat naar de slaapkamer waar het slachtoffer ligt te slapen en gaat naast hem op het bed zitten. Wanneer het slachtoffer wakker wordt, richt hij zich op, slaat haar direct, trekt haar aan haar haren en grijpt haar bij de keel. Haar bril wordt van haar gezicht geslagen. Omdat zij zonder bril niet goed kan zien, heeft zij met haar hand rondgetast, op zoek naar haar bril. Ze voelt iets scherps en pakt dit vervolgens vast. Het blijkt een mes te zijn. Met dat mes steekt zij het slachtoffer één keer, misschien twee keer, in zijn arm. Vervolgens pakt het slachtoffer met zijn hand haar hand met het mes erin vast en brengt zichzelf daarmee nog meer steekverwondingen toe.

Daarna verlaat zij het huis en gooit het mes weg in de bosjes vlakbij de woning, aldus verdachte.

Dat verdachte het slachtoffer slechts één of twee keer in de arm heeft gestoken, acht de rechtbank niet aannemelijk, nu uit de medische rapportage blijkt dat bij het slachtoffer steekverwondingen op de beide schouderbladen, boven het sleutelbeen en in de armen en de duim zijn geconstateerd. Deze locaties waarop de steekverwondingen (deels op de rug van het slachtoffer) zijn aangetroffen verdragen zich niet met de verklaring van de verdachte dat het slachtoffer deze zelf heeft toegebracht. Reeds daarom zal de rechtbank deze verklaring terzijde stellen en op dit punt de verklaring van aangever volgen, inhoudende dat de steekverwondingen door verdachte zijn toegebracht.

Opzet

Het dossier bevat geen verklaringen op grond waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte onvoorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. De rechtbank dient vervolgens vast te stellen of verdachte voorwaardelijk opzet op zijn dood heeft gehad.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van het slachtoffer – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Verdachte heeft het slachtoffer meerdere malen gestoken met een mes. Het lukraak meermalen met een mes steken in het bovenlichaam van een slachtoffer, op de plaatsen waar verdachte dat heeft gedaan, roept de aanmerkelijke kans in het leven dat het slachtoffer daardoor komt te overlijden, nu in dat gebied meerdere vitale organen zijn gesitueerd. Dat is een algemene ervaringsregel, zodat eenieder – en dus ook verdachte – wetenschap heeft gehad van het bestaan van deze aanmerkelijke kans.

Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo'n kans is echter niet alleen vereist dat verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat zij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. Hoewel verdachte heeft ontkend dat zij het slachtoffer om het leven wilde brengen, is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op de dood van slachtoffer gericht te zijn dat het...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT