Uitspraak Nº 15/00854. Hoge Raad, 2016-07-05

Datum uitspraak: 5 juli 2016
 
GRATIS UITTREKSEL

5 juli 2016

Strafkamer

nr. S 15/00854

BKL

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 5 februari 2015, nummer 22/005253-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D. Vermaat, advocaat te Barendrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het tweede middel

2.1.

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, ontoereikend is gemotiveerd.

2.2.1.

Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 03 september 2012 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, [slachtoffer] meermalen telkens in de borst, in elk geval het bovenlichaam, heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid."

2.2.2.

De bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5.

2.2.3.

Voorts heeft het Hof het volgende overwogen:

"Voorbedachte raad

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het impliciet primair (poging tot moord) ten laste gelegde, nu hij, kort gezegd, niet met voorbedachten raad heeft gehandeld.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De verdachte moet aldus de gelegenheid hebben gehad over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te hebben gegeven (ECLI:NL:HR:2015:122)

Het hof overweegt hieromtrent...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT