Uitspraak Nº 15/03999. Hoge Raad, 2017-03-14

Datum uitspraak:14 maart 2017
 
GRATIS UITTREKSEL

14 maart 2017

Strafkamer

nr. S 15/03999

IF/AGE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 13 mei 2015, nummer 21/008160-13, in de strafzaak tegen:

Albert Carel HERINGA, geboren te Amsterdam op 18 september 1942.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De raadsman van de verdachte, J. Boksem, advocaat te Leeuwarden heeft het beroep tegengesproken.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Bestreden uitspraak

2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"Mevrouw M. Heringa-van der Borgh (verder: mw. Heringa) in de periode van 7 juni 2008 tot en met 8 juni 2008 in Ermelo zelfdoding heeft gepleegd (door het innemen van een combinatie van pillen),

waarbij hij, verdachte, op een of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 8 juni 2008, in Ermelo en/of in Midlaren en/of in Ede, althans in Nederland,

opzettelijk mw. Heringa behulpzaam is geweest en opzettelijk mw. Heringa middelen daartoe heeft verschaft,

terwijl die zelfdoding daarop is gevolgd,

immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk:

- contact gelegd met de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (verder: NVVE) en afspraken gemaakt voor een bezoek van een consulent van de NVVE aan mw. Heringa en/of aan verdachte, welke consulent mw. Heringa en verdachte heeft geïnformeerd over (een) methode(n) van zelfdoding

en

- een publicatie van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek naar Zorgvuldige Zelfdoding (verder: WOZZ), uitgave 2008, getiteld 'Informatie over zorgvuldige levensbeëindiging', aangeschaft en geraadpleegd en gebruikt ten behoeve van de (wijze van) zelfdoding van mw. Heringa

en

- mw. Heringa geïnformeerd over (een) methode(n) van zelfdoding en de wijze waarop zelfdoding kan plaatsvinden

en

- een dag gepland (tezamen met mw. Heringa) waarop de zelfdoding door inname van een hoeveelheid pillen zou plaatsvinden

en

- een protocol/handleiding opgesteld, met betrekking tot de wijze van uitvoeren van de zelfdoding

en

- voorafgaand aan en tijdens de uitvoering van de zelfdoding van mw. Heringa, mw. Heringa instructies en aanwijzingen gegeven omtrent de tijd en wijze van innemen van de voor de zelfdoding benodigde/te gebruiken pillen

en

- aan mw. Heringa (een deel van) de voor de zelfdoding benodigde / te gebruiken pillen verstrekt, namelijk ongeveer 4 zogenaamde anti braak pillen en ongeveer 75 Nivaquine/Chloroquine pillen en ongeveer 45 Oxazepam pillen en ongeveer 35 Temazepam pillen

en

ongeveer 45 Oxazepam pillen fijn gemaakt in een bakje en vervolgens yoghurt in dat bakje gedaan en ongeveer 75 Nivaquine/Chloroquine pillen in dat bakje gedaan en dit bakje met genoemde inhoud aangereikt aan mw. Heringa

en

- ongeveer 35 Temazepam pillen in een bakje gedaan en aangereikt aan mw. Heringa

en

- drinken aan mw. Heringa aangereikt om de voor de zelfdoding benodigde/te gebruiken pillen mee weg te spoelen."

2.2. '

s Hofs bewijsvoering houdt het volgende in. De verdachte is - zonder de hoedanigheid van arts te bezitten - zijn 99-jarige (stief)moeder, mevrouw Heringa, behulpzaam geweest bij zelfdoding. Zij koesterde al langere tijd de wens haar leven te beëindigen. Gesprekken tussen mevrouw Heringa en haar huisarts hebben, ondanks de daartoe strekkende wens van mevrouw Heringa, niet ertoe geleid dat door de huisarts medewerking is verleend aan euthanasie. Wel is naar aanleiding van deze gesprekken medicatie voor hart- en nierproblemen stopgezet. Na het overlijden van mevrouw Heringa heeft de huisarts verklaard, kort gezegd, dat zij geen medewerking aan euthanasie heeft verleend omdat mevrouw Heringa weliswaar als gevolg van hart- en nierproblemen en hoge leeftijd een beperkte levensverwachting had, maar dat haar wens tot levensbeëindiging in hoofdzaak werd ingegeven doordat zij vond dat haar leven was voltooid.

2.3.1.

Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als "opzettelijk een ander bij zelfdoding behulpzaam zijn en die ander de middelen tot zelfdoding verschaffen, terwijl de zelfdoding volgt".

2.3.2.

Vervolgens heeft het Hof de verdachte wegens de gegrondbevinding van diens beroep op noodtoestand ontslagen van alle rechtsvervolging en heeft daartoe het volgende overwogen:

"Evenals in eerste aanleg is ook in hoger beroep namens verdachte een beroep gedaan op overmacht in de vorm van noodtoestand.

Daartoe heeft de verdediging, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Verdachte moest kiezen tussen onderling strijdende plichten en belangen, te weten enerzijds de plicht om de wet (artikel 294 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) na te leven en anderzijds de ongeschreven morele plicht/maatschappelijke plicht/zorgplicht om zijn 99-jarige moeder te helpen bij het realiseren van haar wens tot een pijnloze, vredige en waardige dood. Verdachte heeft het laatste als het zwaarst wegende laten prevaleren. Bij de afweging van de in het geding zijnde belangen hebben voor verdachte blijkens de door hem afgelegde verklaringen de volgende punten een gewichtige rol gespeeld.

- Zijn moeder was 99 jaar en wilde absoluut geen 100 jaar meer worden. Zij was hierin volstrekt helder en duidelijk;

- Haar besluit was vrijwillig, weloverwogen en persistent;

- De laatste jaren was verdachte haar enige vertrouwenspersoon. Derhalve was verdachte de enige die handelend zou kunnen optreden bij het realiseren van haar doodswens;

- Zijn moeder had voortdurend de regie. Dit vloeide mede voort uit haar persoon, persoonlijkheid en karakter;

- Verdachte zag haar lijden, haar wanhoop, haar pijn en haar machteloosheid. Zij had het gevoel in deze situatie door iedereen in de steek te worden gelaten;

- Zijn moeder was grotendeels afhankelijk van anderen en gebonden aan kamer en bed;

- Zij was zelf absoluut niet in staat de voor een geslaagde zelfdoding benodigde medicijnen te verzamelen terwijl de pillen die zij reeds had verzameld, onvoldoende en volstrekt ongeschikt waren om de dood te realiseren;

- Verdachte voelde een zorgplicht ten opzichte van zijn moeder, die zelf juist altijd zo goed voor hem had gezorgd;

- Er ontstond bij verdachte aldus een conflict tussen hoofd en hart;

- Verdachte kon in deze situatie niet passief blijven, achterover leunen en nietsdoen en tegelijkertijd haar lijden aanschouwen; dit zou bij hem zijn leven lang grote schuldgevoelens veroorzaken.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen beroep op overmacht in de zin van noodtoestand toekomt, omdat niet aannemelijk is geworden dat er geen alternatieven voorhanden waren. De verklaring van de huisarts, afgelegd bij de raadsheer-commissaris, dat zij in dit geval geen medewerking aan euthanasie wilde verlenen, maakt dit standpunt niet anders.

Het hof overweegt als volgt.

In zijn eerdere beslissing inzake hulp bij zelfdoding van 17 februari 2012 (ECLI:NL:GHARN:2012:BV6139, voorheen LJN BV6139) heeft het hof het volgende overwogen.

"Uitzonderlijke omstandigheden kunnen in een individueel geval meebrengen dat gedragingen die door de wetgever strafbaar zijn gesteld, niettemin gerechtvaardigd kunnen worden geacht, onder meer indien moet worden aangenomen dat daarbij is gehandeld in noodtoestand, dat wil zeggen - in het algemeen gesproken - dat de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft laten prevaleren. In een geval als het onderhavige waarin de wetgever een bijzondere regeling heeft getroffen voor de afweging van de aan de naleving van de wet verbonden nadelen - in casu in de vorm van de mogelijkheid dat een arts onder strikte voorwaarden hulp biedt bij zelfdoding - is een beroep op noodtoestand niet zonder meer uitgesloten, maar een dergelijk beroep zal slechts bij hoge uitzondering kunnen worden aanvaard. De manoeuvreerruimte van de rechter is in zo'n geval uitermate klein. Iemand die geen arts is, kan...geen geslaagd beroep op noodtoestand doen behoudens zeer uitzonderlijke omstandigheden."

Voor het aannemen van het bestaan van een strafrechtelijk relevante noodtoestand is vereist dat er sprake is van een gedraging die voortvloeit uit een actuele concrete nood door een conflict van belangen of plichten, welke gedraging bovendien voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

De wetgever heeft voor artsen voorwaarden geformuleerd bij de bijzondere strafuitsluitingsgrond van artikel 293 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht: zij moeten voldoen aan de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (de WTL), en mededeling doen van het levensbeëindigend handelen of hulpverlening bij zelfdoding aan de gemeentelijke lijkschouwer.

Verdachte is echter geen arts.

Het hof zal bij het beoordelen van het handelen van verdachte de zorgvuldigheidseisen en de mededelingsplicht uit de WTL als referentiekader bij de toetsing hanteren, nu daarin de verschillende aspecten van nood, proportionaliteit en subsidiariteit bij hulp bij zelfdoding tot uitdrukking komen, zonder daarbij de bijzondere positie van verdachte...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT