Uitspraak Nº 15/834 WIA-C. Centrale Raad van Beroep, 2018-11-07

Datum uitspraak: 7 november 2018
 
GRATIS UITTREKSEL
Conclusie

7 november 2018

Raadsheer Advocaat-Generaal mr. R.J.G.M. Widdershoven

15/834 WIA-C, 16/2353 WMO15-C, ECLI:NL:CRVB:2018:3474

CONCLUSIE

Zitting 26 september 2018

Conclusie inzake de hoger beroepen van:

[Naam stichting 1] te [vestigingsplaats 1] , appellante 1, gemachtigde: mr. J.W.D. Roozemond [zaak 1]

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 8 maart 2016 in zaak nrs. 16/889, 16/387 in het geding tussen:

appellante 1

en het Drechtstedenbestuur te Dordrecht.

[Naam N.V.] te [vestigingsplaats 2] , appellante 2, gemachtigde mr. A.M. Nijboer [zaak 2]

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 december 2014, in zaak nr. 13/7178 in het geding tussen:

appellante 2

en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

In deze zaken heeft de president van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), mr. T. Avedissian, mij bij brief van 14 juni 2018 verzocht een conclusie, als bedoeld in artikel 8:12a Algemene wet bestuursrecht (Awb), te nemen over enkele vragen die verband houden met de toepassing van het leerstuk van afgeleid belang in algemene zin en in het sociaal domein in het bijzonder. De zaken zijn behandeld door een grote kamer, als bedoeld in artikel 8:10a, vierde lid, Awb.

In de conclusie worden vijf vuistregels geformuleerd die richtinggevend zouden moeten zijn bij toekomstige toepassing van het leerstuk van afgeleid belang door de bestuursrechters. Eerst en vooral is het leerstuk van afgeleid belang niet aan de orde als de derde in kwestie, naast een mogelijk afgeleid belang, een zelfstandig eigen belang heeft dat bij het besluit rechtstreeks betrokken is. Dit eigen belang kan in een andere hoedanigheid bestaan, maar bijvoorbeeld ook vanwege de reële mogelijkheid dat de derde in een aan een zakelijk of fundamenteel recht ontleend eigen belang wordt geschaad (vuistregel 1). Verder zou afgeleid belang niet aan een derde moeten worden tegengeworpen als zijn bij het besluit betrokken belang materieel niet parallel loopt met dat van de eerstbetrokkene (vuistregel 2) of als de betrokkenheid van zijn rechts- of belangpositie bij het besluit een zelfstandige aanspraak op rechtsbescherming rechtvaardigt (vuistregel 3). Afgeleid belang kan daarentegen wel aan de derde worden tegengeworpen als zijn belang parallel loopt met dat van de eerstbetrokkene en zijn belang uitsluitend via een contractuele relatie met de eerstbetrokkene bij dat besluit betrokken is (vuistregel 4). Ten slotte zou de thans soms toegepaste verwevenheidscorrectie op afgeleid belang niet meer moeten worden toegepast (vuistregel 5).

Toepassing van deze vuistregels op zaak 1 en 2 leidt ertoe dat appellante 1 in zaak 1, en appellante 2 in zaak 2 als belanghebbende bij het bestreden besluit moeten worden aangemerkt.

1. Feiten en procesverloop [zaak 1]
1.1

Het geschil heeft betrekking op de vraag of appellante 1 kan worden beschouwd als belanghebbende bij (een) aan (een van) haar cliënten gericht(e) besluit(en) tot stopzetting van de uitbetaling van een persoonsgebonden budget (pgb). Volgens appellante 1 loopt zij als gevolg van dit/deze besluit(en) inkomsten mis en dreigt zij in haar voortbestaan te worden geraakt.

1.2

Appellante 1 exploiteert een zorgcentrum in Meerkerk. Zij voorziet in de huisvesting van en de verlening van verschillende vormen van zorg aan vijf tot tien hulpbehoevenden. Voor zover voor deze conclusie van belang, heeft een van deze hulpbehoevenden, een ten tijde hier van belang 82-jarige vrouw met een psychiatrische aandoening (betrokkene), die een indicatie heeft voor beschermd wonen (ZZP GGZ C3), voor haar zorg (persoonlijke verzorging, begeleiding individueel en dagbesteding) een pgb aangevraagd op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). De uitvoering van deze wet is opgedragen aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de aanvraagster van het pgb woont, in dit geval - ten tijde hier van belang - de gemeente Giessenlanden. Dit college heeft de uitvoering van de Wmo 2015 overgedragen aan het Drechtstedenbestuur (het bestuur). Het bestuur heeft de aanvraag van betrokkene ingewilligd en voor het jaar 2015 een pgb verleend van € 3.164,25 netto per maand. Op grond van overgangsrecht is dit bedrag verhoogd met een bedrag van € 3.332,- per jaar. Ook de andere hierboven bedoelde hulpbehoevenden verblijven en ontvangen zorg in het zorgcentrum. Ook dit verblijf en die zorg worden bekostigd uit pgb’s.

1.3

Bij besluit van 15 september 2015 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zederik aan betrokkene meegedeeld dat zij het verleende pgb met ingang van 2 september 2015 niet meer mag gebruiken om zorg bij appellante 1 in te kopen, omdat deze zorg volgens hem niet van voldoende kwaliteit is. In het besluit is meegedeeld dat de indicatie niet wordt ingetrokken, maar dat de betalingen uit het pgb wel tijdelijk worden stopgezet. Als wettelijke grondslag voor het besluit zijn genoemd de artikelen 2.3.1 en 2.3.6 Wmo 2015 en artikel 2.14 Verordening beschermd wonen en opvang gemeente Giessenlanden. Aanleiding voor een onderzoek naar de kwaliteit van de geleverde zorg was de aanhouding op verdenking van een zedenmisdrijf van de oprichter van appellante 1. Uit het onderzoek is het bestuur gebleken dat de stichting te weinig geschoold personeel heeft om alle cliënten de juiste zorg te verlenen, dat de verleende zorg niet voldoende gestructureerd is en dat er sprake is van rolverwarring tussen cliënten en medewerkers, omdat ook cliënten werkzaamheden verrichten voor de stichting. Niet alleen het bestuur, maar ook gemeenten in de omgeving hebben signalen ontvangen dat de verleende zorg niet van voldoende niveau is.

1.4

Tegen het besluit van 15 september 2015 hebben appellante 1 en betrokkene separaat bezwaar gemaakt. Appellante 1 heeft, voor zover hier van belang, aangevoerd dat zij bij het aan betrokkene gerichte besluit een eigen belang heeft, omdat zij als gevolg van - onder meer - dat besluit geen inkomsten meer ontvangt. Zij wordt daardoor in haar voortbestaan geraakt. Met dit belang heeft zij een andersoortig belang dan haar cliënten. Appellante 1 en betrokkene hebben in hun bezwaarschriften weersproken dat de geleverde zorg van onvoldoende kwaliteit is en zij betwisten de feiten die aan het besluit ten grondslag zijn gelegd, voor zover deze blijken uit het besluit. Omdat zij niet beschikken over het rapport dat van het onderzoek is opgemaakt, kunnen zij zich verder moeilijk verweren tegen het besluit. Daarnaast bestrijden appellante 1 en betrokkene dat de beslissing kan worden genomen op de door het bestuur genoemde wettelijke grondslagen en menen zij dat zij in ieder geval hadden moeten worden gehoord voordat het besluit werd genomen. De belangen van appellante 1 en betrokkene zijn mede daardoor onvoldoende belicht, terwijl die belangen wel een rol spelen, omdat bij de beoordeling van een aanspraak op een maatwerkvoorziening een belangenafweging moet worden gemaakt. De nu gemaakte afweging leidt voor appellante 1 en voor betrokkene tot een onevenredig nadelig gevolg, zodat het besluit in strijd is met het bepaalde in artikel 3:4 Awb.

1.5

Omdat het besluit van 15 september 2015 onbevoegd bleek te zijn genomen door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zederik, is op 30 november 2015 een gelijkluidend besluit genomen door het - bevoegde - college van burgemeester en wethouders van de gemeente Giessenlanden. De bezwaren van appellante 1 en betrokkene zijn gericht geacht tegen dat laatstgenoemde besluit.

1.6

Bij besluit van 18 december 2015 heeft het bestuur het bezwaar van appellante 1 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat zij niet als belanghebbende bij het besluit van 15 september 2015 kan worden aangemerkt, omdat zij niet rechtstreeks in haar belangen wordt geraakt. Haar belangen bij het besluit vloeien voort uit de contractuele relatie die zij met betrokkene heeft. Het bestuur heeft in dit verband gewezen op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 20 april 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR4300, 4 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3386, en 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2289.

Bij besluit van 18 februari 2016 heeft het bestuur het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard.

1.7

Bij uitspraak van 27 september 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:7324, heeft de rechtbank Rotterdam het beroep van betrokkene tegen het besluit van 18 februari 2016 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat betrokkene geen belang meer had bij beoordeling van dat besluit, nu zij haar pgb inmiddels besteedde bij een andere zorgverlener dan appellante 1 en zij ter zitting heeft verklaard ook niet meer naar appellante 1 terug te gaan. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

Tegen het besluit van 18 december 2015 heeft appellante 1 beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen om te voorkomen dat zij als gevolg van dit besluit (en andere aan andere cliënten van appellante 1 gerichte besluiten van dezelfde strekking) failliet gaat. Appellante 1 heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissing feitelijk een negatieve beoordeling van haar werk vormt en de beslissing tot gevolg heeft dat zij geen cliënten meer kan opvangen. Zij lijdt hierdoor ernstige schade. Uit het besluit van 15 september 2015, maar meer nog uit de conceptbeslissing van 12 januari 2016 op het door...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT