Uitspraak Nº 15/870525-19 (19/407). Rechtbank Noord-Holland, 2019-05-16

Datum uitspraak:2019/05/16
Uitgevende instantie::Rechtbank Noord-Holland
 
GRATIS UITTREKSEL

Rechtbank NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht

Sectie Straf

Rechter-commissaris

RC-nummer : 19/407

Parketnummer : 15/870525-19

Beschikking op een vordering in het kader van artikel 181 van het Wetboek van Strafvordering

De rechter-commissaris heeft op 18 april 2019 een vordering van de officier van justitie ontvangen om onderzoekshandelingen te verrichten ter opsporing van een strafbaar feit,

waarbij de volgende verdachte is aangewezen:

[naam verdachte]

[geboortedatum en -plaats]

[adres]

De vordering strekt tot het verrichten van onderzoekshandelingen, te weten onderzoek aan een viertal gegevensdragers, waaronder de smartphone, tablet en computer van de verdachte - werkzaam als advocaat -, waarbij op voorhand is te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend zal zijn en dat er geheimhoudersinformatie op de gegevensdragers aanwezig zal zijn. Uit dit onderzoek zou naar voren moeten komen of een bepaald ‘seksfilmpje’ vanaf een van die gegevensdragers online is geplaatst en, zo ja, wanneer. Verdachte wordt beschuldigd van smaadschrift, artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht. De aangever, die kennelijk samen met verdachte in het filmpje te zien is, stelt dat verdachte het filmpje buiten zijn medeweten heeft gemaakt en online heeft geplaatst. Verdachte heeft geen toestemming gegeven om de gegevensdragers uit te lezen, terwijl onderzoek daaraan noodzakelijk is om vast te kunnen stellen of die gebruikt zijn bij het online plaatsen van het filmpje.

Gelet op de hierna aangehaalde jurisprudentie van de Hoge Raad en nu de vordering en het onderliggende proces-verbaal hieromtrent onvoldoende informatie verschaffen, heeft de rechter-commissaris telefonisch contact opgenomen met [rechercheur] , digitaal rechercheur, die in de vordering wordt genoemd als de aangewezen persoon om het gevorderde onderzoek aan de gegevensdragers uit te voeren, om meer te weten te komen over de wijze waarop een dergelijk onderzoek zou worden uitgevoerd, teneinde te kunnen beoordelen of dit onderzoek inderdaad zal worden uitgevoerd op een wijze die een zeer ingrijpende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte teweeg zal brengen.

De officier van justitie heeft vervolgens op 13 mei 2019 een aangepaste vordering ingediend, die als bijlage aan deze beslissing wordt gehecht. De officier van justitie licht daarbij aanvullend toe - kort gezegd - dat er door middel van gerichte zoektermen gekeken zal worden naar gegevens op kopieën van de gegevensdragers, waaronder naar foto’s, filmpjes, chatsessies en internethistorie. De rechercheur verwacht dat hij op deze wijze het onderzoek kan doen zonder geheimhoudersinformatie in te zien.

Beoordeling

De Hoge Raad heeft in het zogenoemde Smartphone-arrest (ECLI:NL:HR:2017:584) onder meer het volgende overwogen.

Voor de waarheidsvinding mag onderzoek worden gedaan aan inbeslaggenomen voorwerpen teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. In computers opgeslagen of beschikbare gegevens zijn daarvan niet uitgezonderd (vgl. HR 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2076, NJ 1994/577). Dat geldt ook voor in andere inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, waaronder smartphones, opgeslagen of beschikbare gegevens. De wettelijke basis voor dat onderzoek door opsporingsambtenaren is gelegen in het samenstel van de bepalingen waarop de bevoegdheid tot inbeslagneming is gebaseerd.

Voor het doen van onderzoek door een opsporingsambtenaar aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken teneinde de beschikking te krijgen over daarin opgeslagen of beschikbare gegevens vereist de wet geen voorafgaande rechterlijke toetsing of tussenkomst van de officier van justitie. Indien de met het onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd, biedt de algemene bevoegdheid van opsporingsambtenaren, neergelegd in art. 94, in verbinding met art. 95 en 96 Sv, daarvoor voldoende legitimatie. Dit zal het geval kunnen zijn indien het onderzoek slechts bestaat uit het raadplegen van een gering aantal bepaalde op de elektronische gegevensdrager of in het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens. Indien dat onderzoek zo verstrekkend is dat een min of meer...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT