Uitspraak Nº 16/076544-20 (P). Rechtbank Midden-Nederland, 2020-07-16

Datum uitspraak:16 juli 2020
Uitgevende instantie::Rechtbank Midden-Nederland
 
GRATIS UITTREKSEL
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/076544-20 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 16 juli 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1997] in [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres] , [woonplaats] , gemeente Utrecht.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2020. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van de officier van justitie, mr. J.R.F. Esbir Wildeman, en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 op 16 oktober 2019 in Utrecht, samen met een ander, € 360,- heeft gestolen van [aangever 1] ;

feit 2 op 9 oktober 2019 in Ouderkerk aan de Amstel, samen met een ander, heeft geprobeerd om geld of goederen van [aangever 2] te stelen.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Vrijspraak
4.1

De standpunten van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht de aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen. Ten behoeve van de leesbaarheid van het vonnis worden de standpunten van de officier – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 4.3.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van alle aan verdachte ten laste gelegde feiten. Zijn standpunten worden eveneens in paragraaf 4.3 besproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 2

Aan verdachte is onder feit 2 ten laste gelegd dat hij op 9 oktober 2019 in Ouderkerk aan de Amstel, samen met een ander, heeft geprobeerd om geld of goederen van de heer [aangever 2] te stelen. Op grond van de stukken in het procesdossier kan naar het oordeel van de rechtbank onder meer het volgende worden vastgesteld.

Aangever [aangever 2] werd op 9 oktober 2019 ’s avonds in zijn woning bezocht door een man en een vrouw die vertelden dat zij namens organisatie Atal1 bloed kwamen prikken. Aangever, op dat moment 89 jaar oud, liet de twee binnen omdat hij in verband met bloedafname eerder is bezocht door medewerkers van Atal. De vrouw gaf aangever een vingerprik en zei vervolgens dat aangever een lage bloeddruk had. Aangever had op dat moment in de gaten dat er iets niet klopte [de rechtbank begrijpt: omdat bloeddruk niet kan worden gemeten met een vingerprik]. De man en vrouw hebben de woning daarop verlaten. Uit onderzoek bleek dat de man en vrouw niet werkzaam zijn voor Atal.

Om tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde diefstal in vereniging te komen, moet op grond van de bewijsmiddelen niet alleen worden vastgesteld dat verdachte de man is die zich in de woning van aangever ophield, maar ook dat het de bedoeling was van verdachte en zijn medeverdachte om geld of goederen van aangever te stelen. Verdachte wordt immers verweten dat hij de woning van aangever is binnengegaan (en de in de tenlastelegging opgesomde handelingen heeft verricht) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van geld of goederen.

Hoewel het voor menigeen in het kader van een...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT