Uitspraak Nº 16/091578-20 en 16/652747-17 (TUL) (P). Rechtbank Midden-Nederland, 2020-07-28

Datum uitspraak:28 juli 2020
Uitgevende instantie::Rechtbank Midden-Nederland
 
GRATIS UITTREKSEL
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummers: 16/091578-20 en 16/652747-17 (TUL) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 28 juli 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1995] te [geboorteplaats] (Suriname),

wonende aan de [adres] , [woonplaats] ,
gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad te Westzaan,

hierna: verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 juli 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. D.C. Smits en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. R. van Veen, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair:

op 4 februari 2020 in Lelystad openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad;

subsidiair:

op 4 februari 2020 in Lelystad samen met een ander of alleen [slachtoffer] heeft mishandeld, welke mishandeling zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS
4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde openlijk geweld omdat het bestanddeel ‘in vereniging’ niet bewezen kan worden. Bewezen kan worden verklaard dat verdachte aangever [slachtoffer] één vuistslag in het gezicht heeft gegeven. De vuistslag dient te worden gekwalificeerd als mishandeling zoals subsidiair ten laste is gelegd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Op 4 februari 2020 stapt [slachtoffer] op het Stationsplein in Lelystad uit de trein. Nadat hij een jongen die niet uitcheckte, daarop had aangesproken en probeerde tegen te houden, raakte [slachtoffer] met deze jongen in gevecht. [slachtoffer] weet nog dat hij dan weer stond en dan weer op de grond lag en dat hij werd geslagen en geschopt. Uit het niets zag hij ineens een tweede jongen naast hem staan en voelde een harde klap aan de rechterzijde van zijn hoofd.2

Getuige [getuige] zag op 4 februari 2020 op het station in Lelystad twee mannen vechten, een blanke man met een witte jas en een negroïde man. Hij zag dat een andere man aan kwam lopen en dat deze man de blanke man met de witte jas heel hard met zijn vuist in het gezicht sloeg.3

Verdachte heeft [slachtoffer] met zijn rechterhand een vuistslag tegen het hoofd gegeven.4

In het dossier bevinden zich beelden welke zijn gemaakt op 4 februari 2020 op het station in Lelystad. Op de beelden is onder meer zichtbaar dat een man in een witte jas en een negroïde man op het perron staan en dat een tweede negroïde man aan komt rennen en direct de man in de witte jas een harde klap in het gezicht geeft.5

Bij [slachtoffer] is onder meer het volgende letsel geconstateerd: een meervoudige botbreuk van het rechter jukbeen en van de oogkas en een gebroken neusbot.6

Bewijsoverwegingen

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 4 februari 2020 op het station in Lelystad [slachtoffer] een stomp (vuistslag) in het gezicht heeft gegeven.

De raadsman heeft betoogd dat geen sprake is van openlijk geweld maar van mishandeling. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zijn neef bij het treinstation in Lelystad ging ophalen. Vlak voor zij elkaar zouden treffen, had hij deze neef aan de telefoon en ving hij een gesprek op tussen de neef en een andere persoon en hoorde hij zijn neef roepen ‘blijf van me af, au, au, au’. Verdachte is hierop direct uit zijn auto gesprongen en naar het perron gerend, zag daar zijn neef en een andere man en heeft - in een fractie van een seconde – een vuistslag uitgedeeld aan deze man om zijn neef uit deze situatie weg te kunnen halen.

Uit de beelden van het station Lelystad blijkt dat verdachte aan kwam rennen op het moment dat er kort daarvoor meerdere klappen waren gevallen, [A] en het slachtoffer stonden nog in elkaars nabijheid. Verdachte opent met een druk op de knop de toegangspoortjes van het station, rent op het slachtoffer af en geeft hem direct een harde vuistslag in het gezicht.

Uit het voorgaande volgt dat verdachte zijn neef [A] van het station zou ophalen, dat verdachte doordat hij met zijn neef aan de telefoon was, begreep dat deze neef in gevecht was met een ander, waarop verdachte ter plaatse is gekomen en zich in de situatie heeft gemengd, dat zij beiden geweld hebben gebruikt tegen [slachtoffer] met het doel om [A] te ontzetten, althans om hem in de gelegenheid te stellen het station te verlaten. Voorts blijkt uit tot het dossier behorende beelden van het station in Lelystad dat verdachte en [A] [slachtoffer] , nadat hij als gevolg van het tegen hem gerichte geweld gewond was geraakt en was uitgeschakeld, hebben achtergelaten zonder zich om hem te bekommeren en samen het station hebben verlaten.

Onder voornoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een gezamenlijke uitvoering en afhandeling van het delict wat maakt dat het primair ten laste gelegde openlijk geweld wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Dat [A] en verdachte niet gelijktijdig geweld hebben gebruikt tegen [slachtoffer] , maar dat dit aansluitend op elkaar heeft plaatsgevonden, maakt dit oordeel niet anders.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

primair:

op 4 februari 2020 te Lelystad, openlijk, te weten op het Stationsplein, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door éénmaal te stompen in/tegen het gezicht van die [slachtoffer] , terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, te weten breuken in het jukbeen en breuken in de oogkas en een gebroken neus voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

primair:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

De raadsman heeft bepleit verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging en heeft daartoe een beroep gedaan op noodweer, dan wel (subsidiair) putatief noodweer. Daartoe is - kort gezegd - het volgende aangevoerd.

[A] werd fysiek aangevallen door een man en heeft in een noodweersituatie verkeerd. Verdachte was door de telefoon getuige van de aanval en hoorde dat de man behoorlijk agressief was richting [A] . Toen verdachte arriveerde, zag hij [A] voorovergebogen staan. De andere man stond dichtbij [A] en liep op hem toe. Op dat moment was sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding van [A] en verdachte achtte het noodzakelijk deze...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT