Uitspraak Nº 16/172215-19 en 16/230942-18 (vord. tul) (P). Rechtbank Midden-Nederland, 2020-07-30

Datum uitspraak:2020/07/30
Uitgevende instantie::Rechtbank Midden-Nederland
 
GRATIS UITTREKSEL
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/172215-19 en 16/230942-18 (vord. tul) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 30 juli 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte ] ,

geboren op [2001] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 29 oktober 2019, 15 januari 2020, 31 maart 2020 en 16 juli 2020. Op laatstgenoemde datum heeft de inhoudelijke behandeling plaatsgevonden. De strafzaak tegen verdachte is toen gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld met de strafzaak tegen medeverdachte [medeverdachte] (parketnummer: 16/172297-19).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. C.J. Booij en van hetgeen verdachte en mr. Y. Bouchikhi, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en van hetgeen hun advocaat mr. M.T. Spetter namens hen ter terechtzitting naar voren heeft gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 16 juli 2019 te Amersfoort samen met een ander heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] te doden door een vuurwapen op die [slachtoffer 1] te richten en (vervolgens) meermalen de trekker van dat vuurwapen over te halen;

feit 2: (primair) op 16 juli 2019 te Amersfoort samen met een ander heeft geprobeerd om geld en/of goederen die toebehoorden aan [slachtoffer 2] weg te nemen, terwijl die poging tot diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd door geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en/of samen met een ander heeft geprobeerd door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] te dwingen tot het afgeven van geld en/of goederen, dan wel (subsidiair) dat zij die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] toen hebben bedreigd met een misdrijf gericht tegen het leven, althans zware mishandeling;

feit 3: (primair) op 16 juli 2019 te Amersfoort samen met een ander [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door hem onder meer te laan met een voorwapen en/of een voorhamer dan wel

( subsidiair ) samen met een ander toen op die wijze heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

feit 4: op 16 juli 2019 te Amersfoort samen met een ander [slachtoffer 2] heeft mishandeld;

feit 5: op 16 juli 2019 te Amersfoort een pistool en vier scherpe patronen voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen;

feit 6: op 16 juli 2019 te Amersfoort samen met een ander [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] heeft bedreigd door een vuurwapen op die personen te richten en/of aan hen te tonen;

feit 7: op 16 juli 2019 te Amersfoort samen met een ander een scooter heeft geheeld.

1 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

2 WAARDERING VAN HET BEWIJS
2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1, 2 primair, 3 primair, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

2.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1, 3 primair, 6 en 7 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De raadsman heeft dan ook verzocht verdachte van die feiten vrij te spreken. De overige ten laste gelegde feiten kunnen volgens de raadsman wel wettig en overtuigend bewezen worden. Bij deze feiten is volgens de raadsman sprake van eendaadse samenloop.

Met betrekking tot de verzochte vrijspraken heeft de raadsman – kort gezegd – aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat de trekker is overgehaald (feit 1), het bij [slachtoffer 1] geconstateerde letsel geen zwaar lichamelijk letsel oplevert (feit 3 primair), de verklaring van [slachtoffer 3] geen steun vindt in andere bewijsmiddelen (feit 4) en dat de enkele omstandigheid dat verdachte niet wil benoemen van wie hij de scooter heeft geleend nog geen heling oplevert (feit 7).

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde

Aan verdachte is onder 1 ten laste gelegd dat hij samen met een ander heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Dit zou volgens de tenlastelegging gebeurd zijn door het richten van een vuurwapen op het hoofd van die [slachtoffer 1] en vervolgens door het (meermalen) overhalen van de trekker van dat vuurwapen. Als de rechtbank de ten laste gelegde handelingen bewezen acht dient de rechtbank vervolgens nog te beoordelen of sprake is geweest van medeplegen.

De rechtbank kan in dit geval op basis van het beschikbare dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet vaststellen dat de trekker daadwerkelijk is overgehaald en zal verdachte om die reden vrijspreken van het ten laste gelegde.

Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de bewijsmiddelen, waaronder camerabeelden, volgt weliswaar dat medeverdachte [medeverdachte] het vuurwapen op [slachtoffer 1] heeft gericht, maar voor het aannemen van de ten laste gelegde poging tot doodslag moet de rechtbank ook vaststellen dat daarbij de trekker (meermalen) is overgehaald.

Het enige proces-verbaal waarop dergelijk handelen (overhalen trekker) direct kan worden gebaseerd is het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] (pag. 260 e.v.). In dit proces-verbaal beschrijft deze verbalisant wat hij op de camerabeelden in de juwelierszaak waarneemt. Daartoe heeft hij de stills vergroot en baseert hij zijn conclusies op lichtinval op en door de trekkerbeugel van het wapen door het tegenlicht van de vitrine achter de verdachte. De rechtbank heeft ter terechtzitting en later in raadkamer de betreffende beelden uitvoerig bekeken. De rechtbank acht deze beelden van onvoldoende kwaliteit om op basis daarvan vast te stellen dat de trekker ook daadwerkelijk door medeverdachte [medeverdachte] is overgehaald.

Daarbij komt ook dat de bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] omtrent de camerabeelden niet worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. [medeverdachte] heeft van meet af aan ontkend de trekker te hebben overgehaald en ook de aangevers hebben niets daarover verklaard. Ook het nadien door het NFI verrichte technisch onderzoek aan het wapen en het patroon met de indent (inkerving, hetgeen past bij een inslag van een slagpin) kan niet dienen als ondersteuning van het door de officier van justitie ingenomen standpunt dat verdachte de trekker heeft overgehaald. Het NFI heeft immers geconcludeerd dat de aangetroffen indent in het patroon technisch niet verklaard kan worden als die is veroorzaakt door het wapen van verdachte.

Op de grond in de winkel zijn een tweetal patronen aangetroffen, waarvan één met een indent. De officier van justitie heeft deze omstandigheid ook aangehaald ter ondersteuning van zijn standpunt dat verdachte de trekker heeft overgehaald. Verdachte heeft echter tot twee keer toe handmatig de slede van het wapen naar achter getrokken, naar eigen zeggen als dreigmiddel richting de aangevers. Zoals ook door het NFI verklaard, wordt hierdoor het patroon uit de kamer van de loop van het wapen geworpen. Dit betekent dat het enkele handmatige naar achter trekken van de slede van het wapen een verklaring kan vormen voor het aantreffen van de patronen op de grond in de winkel.

Nu er geen (andersluidend) bewijs voorhanden is in het dossier op basis waarvan de rechtbank tot de conclusie kan komen dat verdachte de trekker van het pistool heeft overgehaald, wordt verdachte dus vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde.

4.3.2

Vrijspraak van het onder 7 ten laste gelegde

Uit het dossier is gebleken dat de scooter op 19 september 2018 is gestolen. Van enige betrokkenheid van verdachte bij die diefstal is niet gebleken. Op 16 juli 2019 zijn verdachte en de medeverdachte op deze gestolen scooter naar de juwelier gereden om de voorgenomen overval te plegen. Verdachte heeft verklaard dat hij de scooter had geleend van een vriend. Van deze vriend wil hij niet de naam noemen. In het dossier staat verder niets gerelateerd over de scooter. De enkele omstandigheid dat verdachte niet wil verklaren van wie hij de scooter had geleend acht de rechtbank onvoldoende voor een bewezenverklaring van heling. Verdachte zal dan ook van dat feit vrijgesproken worden.

4.3.3

De bewijsmiddelen voor het onder 2 t/m 6 ten laste gelegde 1

De verklaring van [slachtoffer 2] voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven inhoudende:

Feit: overval op overige objecten

Pleegdatum/tijd: 16 juli 2019 om 10:57 uur

Ik ben zojuist slachtoffer geworden van een overval. Ik wil van deze overval c.q. poging overval aangifte doen. Ik ben eigenaar van een juweliers winkel (…). (…) gevestigd aan de [adres] te [woonplaats] .2 (…) Ik hoorde mijn zusje zeggen: “Dieven.” (…) Ik zag dat mijn vader naar voren liep in de winkel. Toen ik het winkelgedeelte inliep zag ik dat er twee personen in de winkel stonden. Beide mannen waren volledig in het zwart gekleed en droegen een zwarte/donker grijze helm. Ik denk dat het regenpakken waren. Ik kon zien dat man 1 een pistool in zijn hand had. Man 2 droeg een grote hamer in zijn handen. (…) 3 Ik zag dat mijn vader met een van de mannen om de vitrine heen liep en daar aan het vechten was met een van de mannen. (…) Ik liep naar de...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT