Uitspraak Nº 16/2517 PW. Centrale Raad van Beroep, 2018-06-06

Datum uitspraak: 6 juni 2018
 
GRATIS UITTREKSEL

16/2517 PW, 17/2985 PW, 17/2987 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van

15 maart 2016, 15/7826 (aangevallen uitspraak 1) en 4 april 2017, 16/7190 en 16/10074 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

Datum uitspraak: 6 juni 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak 1 en mr. J.H. Kruseman, advocaat, tegen aangevallen uitspraak 2.

Het college heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 6 december 2017. Voor appellante is, daartoe opgeroepen, mr. Kruseman verschenen, tevens ter waarneming van haar kantoorgenoot mr. Fischer. Het college, eveneens daartoe opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Catakli.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving van het college vanaf 17 mei 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder, die 90% bedroeg van de bijstandsnorm voor gehuwden, inclusief vakantiegeld (gehuwdennorm). Zij deelde ten tijde hier van belang de woning met haar kinderen, van wie één minderjarig, en haar echtgenoot

[naam] (B). B hield niet rechtmatig verblijf in Nederland en had in verband daarmee geen recht op bijstand (niet-rechthebbende) en het was hem niet toegestaan om in Nederland te werken.

1.2.

Met ingang van 1 januari 2015 ontving appellante de bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder, welke norm 70% van de gehuwdennorm bedroeg. Het college heeft de norm tot 1 januari 2016 verhoogd met € 254,17 per maand. De reden hiervan was dat appellante met ingang van 1 januari 2015 niet in aanmerking kwam voor verhoging van het kindgebonden budget in de vorm van een zogenoemde alleenstaande ouder-kop (ALO-kop), omdat voor de regeling van de ALO-kop B werd beschouwd als haar partner. De ALO-kop bedroeg in 2015 € 3.050,- per jaar (254,17 per maand)

1.3.

Bij besluit van 1 juni 2015, in samenhang met de uitkeringsspecificatie van 23 juli 2015, (besluit 1), heeft het college met toepassing van de kostendelersnorm de bijstand van appellante met ingang van 1 juli 2015 verlaagd tot een bedrag van € 687,59 per maand, zijnde 50% van de gehuwdennorm. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat B meetelt als kosten delende medebewoner.

1.4.

Bij besluit van 5 oktober 2015 heeft het college over de periode van 1 juli 2015 tot en met 30 juni 2016 aan appellante bijzondere bijstand toegekend ter hoogte van een bedrag van 20% van de gehuwdennorm, op 1 juli 2015 een bedrag € 275,04 per maand, ter compensatie van de inkomensterugval als gevolg van het toepassen van de kostendelersnorm. Daarbij heeft het college in aanmerking genomen dat appellante de woonkosten feitelijk niet kan delen doordat zij de woning deelt met een niet-rechthebbende echtgenoot, die zelf in verband met zijn verblijfsstatus geen uitkering heeft en niet met arbeid een inkomen kan verdienen.

1.5.

Bij besluit van 19 oktober 2015 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond verklaard. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat in de situatie van appellante de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a, eerste lid, van de PW van toepassing is en dat de uitzondering genoemd in het derde lid, onder a, van dit artikel, zoals dat gold tot 1 januari 2016, niet van toepassing is, omdat B geen recht heeft op bijstand. Ook heeft het college in bestreden besluit 1 gewezen op de bij het besluit van 5 oktober 2015 toegekende compensatie van de inkomensterugval als gevolg van de toepassing van de kostendelersnorm.

1.6.

In februari 2016 heeft het college appellante schriftelijk meegedeeld dat het aan appellante over de maanden januari 2016 en februari 2016 nog éénmaal een financiële bijdrage verstrekt ter compensatie van het gemis van de ALO-kop en dat met ingang van

1 maart 2016 deze toeslag van 20% van de gehuwdennorm zal komen te vervallen.

1.7.

Op 4 februari 2016 heeft appellante bij het college een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend ter compensatie van het gemis van de ALO-kop.

1.8.

Bij besluit van 17 maart 2016 (besluit 2) heeft het college de aanvraag van 4 februari 2016 afgewezen op de grond dat het college vanaf 1 maart 2016 geen verdere compensatie meer verstrekt.

1.9.

Bij brief van 4 mei 2016 heeft appellante het college verzocht de gevolgen van de inkomensterugval als gevolg van de toepassing van de kostendelersnorm te compenseren. Zij heeft daarnaast verzocht om bijzondere bijstand ter aanvulling van de toepasselijke norm tot de gehuwdennorm dan wel ter compensatie van het gemis van fiscale toeslagen.

1.10.

Bij besluit van 28 juni 2016 (besluit 3) heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand ter compensatie van de inkomensterugval als gevolg van de toepassing van de kostendelersnorm afgewezen. Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat de gevraagde bijstand niet kan worden verleend omdat B niet rechtmatig in Nederland verblijft. Tevens heeft het college daarbij geweigerd om compensatie te bieden voor het gemis van fiscale toeslagen in de vorm van bijzondere bijstand.

1.11.

Bij besluit van 22 juli 2016 (besluit 4) heeft het college met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW aan appellante met ingang van 1 juli 2016 en zonder einddatum een toeslag op de bijstand tot een bedrag van 20% van de gehuwdennorm toegekend ter aanvulling op de voor haar geldende kostendelersnorm. Hierbij heeft het college in aanmerking genomen dat appellante door de toepassing van de kostendelersnorm een inkomensterugval lijdt terwijl zij feitelijk de kosten niet kan delen met haar niet-rechthebbende echtgenoot.

1.12.

Bij besluit van 1 augustus 2016 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond verklaard. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 35 van de PW die de toekenning van bijzondere bijstand met ingang van 1 maart 2016 rechtvaardigen.

1.13.

Bij besluit van 21 november 2016 (bestreden besluit 3) heeft het college het bezwaar tegen besluit 3 voor zover dit besluit ziet op bijzondere bijstand ter compensatie van de inkomensterugval als gevolg van de toepassing van de kostendelersnorm niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat enig procesbelang ontbreekt. Voor zover besluit 3 ziet op het niet toekennen van bijzondere bijstand wegens het gemis van fiscale toeslagen heeft het college het bezwaar daartegen ongegrond verklaard. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante geen aanspraak kan maken op de verzochte bijzondere bijstand, omdat een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de PW daaraan in de weg staat. Tevens heeft het college bij bestreden besluit 3 het bezwaar tegen besluit 4 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat geen aanleiding bestaat om de bijstandsnorm met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW verder te verhogen ter compensatie van het gemis van de ALO-kop en fiscale toeslagen.

2.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. De rechtbank heeft aan dit oordeel ten grondslag gelegd dat het inkomensniveau van appellante door het ontvangen van bijzondere bijstand met ingang van

1 juli 2015 niet is gewijzigd. Voorts heeft de rechtbank in dit verband overwogen dat met ingang van 1 januari 2016 artikel 22a, derde lid, onderdeel a, van de PW en artikel 24 van de PW zijn gewijzigd met een overgangsrecht van zes maanden. Tegen een besluit tot aanpassing van de bijstandsnorm met ingang van 1 juli 2016 staan appellante alsdan rechtsmiddelen ter beschikking.

2.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd met instandlating van de rechtsgevolgen daarvan. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college zich in beroep terecht nader op het standpunt heeft gesteld dat de ALO-kop een voorliggende toereikende en passende voorziening is, zodat artikel 15, eerste lid, van de PW aan de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand in de weg staat. Voorts zijn geen zeer dringende redenen aanwezig om met toepassing van artikel 16, eerste lid van de PW de verzochte bijzondere bijstand toe te kennen. Het beroep tegen bestreden besluit 3 heeft de rechtbank ongegrond verklaard op de grond dat appellante geen zeer bijzondere omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die tot afstemming van de bijstand met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW nopen.

3. De uitkomst van de onder 1 genoemde besluitvorming en de onder 2 genoemde uitspraken betekende voor appellante dat zij vanaf 1 januari 2015 tot en met 29 februari 2016 heeft kunnen beschikken over middelen ter hoogte van 90% van de norm voor gehuwden en dat zij vanaf 1 maart 2016 beschikt over middelen ter hoogte van 70% van de norm voor...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT