Uitspraak Nº 16/2910 AOW. Centrale Raad van Beroep, 2020-11-19

CourtCentrale Raad van Beroep (Nederland)
Docket Number16/2910 AOW
ECLIECLI:NL:CRVB:2020:2741

16/2910 AOW e.v.

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 maart 2016, 14/5265 e.a. (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[naam bedrijf] Ltd . te Cyprus ( [naam bedrijf] ) en 7 van de 38 betrokkenen, zoals vermeld in de bij deze uitspraak behorende bijlage 1 (appellanten)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

[betrokkene 5] te [woonplaats] (derde-partij)


de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

Datum uitspraak: 19 november 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.J. van Dam, advocaat, bij de Raad 45 in bijlage 1 bij deze uitspraak nader aangeduide hoger beroepen ingesteld tegen de aangevallen uitspraak1. Deze hoger beroepen zijn gevoegd. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Van de 31 betrokkenen die niet zelf beroep hebben doen instellen, heeft er een gebruik gemaakt van de door de Raad geboden gelegenheid om op de voet van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) als derde-partij aan de procedure deel te nemen.

Naar aanleiding van het verzoek van appellanten om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

Op 8 december 2017 heeft onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Daarbij is mr. Van Dam verschenen voor appellanten. Voorts is [naam 2] ( [naam 2] ) verschenen als informant. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg,
H. van der Most en mr. M.M.T. Wickenhagen. Het onderzoek ter zitting is op 8 december 2017 geschorst. Daarbij is bepaald dat het vooronderzoek werd hervat.

In verband met het voornemen om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) een verzoek om een prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 267 van het VWEU2 te doen, is aan partijen een concept‑geschilafbakening gezonden. Hierop hebben partijen gereageerd.

Vervolgens is aan partijen een concept-vraagstelling gezonden waarop zij eveneens hebben gereageerd.


Bij verzoek van 20 september 2018 heeft de Raad een prejudiciële vraagstelling voorgelegd aan het Hof (verwijzingsbeslissing).3 In reactie hierop heeft het Hof op 16 juli 2020 arrest gewezen.4 Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op dit arrest te reageren. Van deze gelegenheid heeft de Svb gebruik gemaakt.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 8 oktober 2020. Namens appellanten is mr. Van Dam verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg, mr. G.J. Oudenes en H. van der Most.

OVERWEGINGEN


Voor een uitgebreide weergave van de voorgeschiedenis en het toepasselijke rechtskader verwijst de Raad naar de verwijzingsbeslissing. De Raad brengt het volgende in herinnering.

1. Inleiding

1.1. Betrokkenen woonden in Nederland en werkten voor in Nederland gevestigde vervoersondernemingen (vervoersondernemingen) als vrachtwagenchauffeur in het internationale wegtransport. Daarbij plachten zij hun werkzaamheden te verrichten in twee of meer lidstaten van de Europese Unie (EU) of de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA). Zij waren wel voor een gedeelte, maar niet in hoofdzaak of voor een substantieel gedeelte werkzaam in Nederland.

1.2. Op 10 mei 2011 is in Cyprus [naam bedrijf] opgericht. [naam bedrijf] heeft zowel met de vervoersondernemingen waarvoor betrokkenen werkten als met betrokkenen overeenkomsten gesloten. Op grond van de overeenkomsten tussen [naam bedrijf] en de vervoersondernemingen waren de vervoersondernemingen bepaalde bedragen verschuldigd aan [naam bedrijf] , terwijl [naam bedrijf] aan betrokkenen een salaris betaalde en de daarover verschuldigde premies afdroeg aan de Social Insurance Services te Cyprus. De tussen [naam bedrijf] en betrokkenen gesloten overeenkomsten zijn aangeduid als arbeidsovereenkomsten.

1.3. Appellanten stellen zich op het standpunt dat [naam bedrijf] gedurende de in bijlage 1 aangeduide periodes (de periodes in geding), waarin zij op de loonlijst van [naam bedrijf] stonden, was aan te merken als de werkgever van betrokkenen en dat op betrokkenen sindsdien de socialezekerheidswetgeving (wetgeving) van Cyprus van toepassing was. De Svb betwist dat. De periodes in geding liggen alle tussen 1 oktober 2011 en 26 mei 2015.


2. De bestreden besluiten

2.1. [naam bedrijf] heeft de Svb in de periode van januari 2012 tot en met mei 2013 verzocht om te bevestigen dat op betrokkenen de Cypriotische wetgeving van toepassing is over periodes waarin zij volgens de opgave van [naam bedrijf] in loondienst van [naam bedrijf] als internationaal vrachtwagenchauffeur werken. Daarbij is te kennen gegeven dat betrokkenen in Nederland wonen, dat zij hun werkzaamheden plegen te verrichten in twee of meer lidstaten van de EU of de EVA en dat zij niet een substantieel gedeelte van hun werkzaamheden verrichten in Nederland.

2.2. De Svb heeft bij besluiten van 2 oktober 2013 de wetgeving van Nederland op betrokkenen van toepassing verklaard over periodes waarin [naam bedrijf] zich presenteert als de werkgever van betrokkenen.

2.3. Appellanten hebben tegen de onder 2.2 vermelde besluiten bezwaar gemaakt. Deze bezwaren heeft de Svb bij besluiten van 9 juli 2014 (bestreden besluiten) ongegrond verklaard. Daartoe is, voor zover nu nog van belang, overwogen dat niet [naam bedrijf] , maar de vervoersonderneming waarvoor een betrokkene werkzaam is, moet worden beschouwd als zijn werkgever.

3. Uitspraak van de rechtbank

Appellanten hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Deze beroepen zijn bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank verwezen naar artikel 13, eerste lid, aanhef en sub b, van de basisverordening5 en naar artikel 14, tweede lid, aanhef en sub a, van Vo 1408/716. Uit wat bij de rechtbank ter zitting is besproken heeft de rechtbank afgeleid dat de toetsing van de bestreden besluiten kon worden beperkt tot de periode oktober 2011 tot en met december 2012, en in een tweetal zaken tot de periode oktober 2011 tot oktober 2012.

4. Prejudiciële vraagstelling en antwoord van het Hof

4.1. In de verwijzingsbeslissing is de Raad op basis van het dossier, het verhandelde ter zitting van de Raad van 8 december 2017 en de daarna nog door partijen ingediende stukken, ervan uitgegaan dat betrokkenen gedurende de periodes in geding feitelijk voor onbepaalde tijd volledig ter beschikking stonden van de vervoersondernemingen, waarbij zij in tenminste een aanzienlijk aantal gevallen voorafgaand aan de periodes in geding in loondienst waren. Na de tussenkomst van [naam bedrijf] veranderde wat betreft de dagelijkse gang van zaken niets of weinig in de relatie tussen betrokkenen en de vervoersondernemingen. Verder leidde het feit dat een in Nederland gevestigde vervoersonderneming geen gebruik meer maakte van werknemers die op de loonlijst van [naam bedrijf] stonden, in de regel tot onverwijld ontslag van deze werknemers door [naam bedrijf] .

4.2. De Raad heeft, voor zover nu nog van belang, de volgende vragen aan het Hof gesteld:

1A. Moet artikel 14, tweede lid, sub a, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 zo worden uitgelegd dat onder omstandigheden als die van de hoofdgedingen de internationaal vrachtwagenchauffeur in loondienst wordt aangemerkt als behorend tot het rijdend personeel van:

a. de vervoersonderneming die de betrokkene heeft aangeworven, waaraan de betrokkene feitelijk voor onbepaalde tijd volledig ter beschikking staat, die het feitelijke gezag over de betrokkene uitoefent en te wiens laste de loonkosten feitelijk komen, dan wel

b. de onderneming die met de vrachtwagenchauffeur formeel een arbeidsovereenkomst heeft gesloten en die volgens afspraak met de onder a. bedoelde vervoersonderneming aan de betrokkene een salaris betaalde en daarover premies afdroeg in de lidstaat waar zich de zetel van deze onderneming bevindt en niet in de lidstaat waar zich de zetel van de onder a. bedoelde vervoersonderneming bevindt;

c. zowel de onderneming onder a als de onderneming onder b?

1B. Moet artikel 13, eerste lid, sub b, van Verordening (EG) nr. 883/2004 zo worden uitgelegd dat onder omstandigheden als die van de hoofdgedingen als werkgever van de internationaal vrachtwagenchauffeur in loondienst wordt aangemerkt:

a. de vervoersonderneming die de betrokkene heeft aangeworven, waaraan de betrokkene feitelijk voor onbepaalde tijd volledig ter beschikking staat, die het feitelijke gezag over de betrokkene uitoefent en te wiens laste de loonkosten feitelijk komen, dan wel

b. de onderneming die met de vrachtwagenchauffeur formeel een arbeidsovereenkomst heeft gesloten en die volgens afspraak met de onder a. bedoelde vervoersonderneming aan de betrokkene een salaris betaalde en daarover premies afdroeg in de lidstaat waar zich de zetel van deze onderneming bevindt en niet in de lidstaat waar zich de zetel van de onder a. bedoelde vervoersonderneming bevindt;

c. zowel de onderneming onder a als de onderneming onder b?

4.3. In zijn arrest heeft het Hof voor recht verklaard:

Artikel 14, punt 2, onder a), van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 631/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004, en artikel 13, lid 1, onder b), i), van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 465/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 moeten...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT