Uitspraak Nº 16/6212 PW. Centrale Raad van Beroep, 2018-08-14

Datum uitspraak:14 augustus 2018
 
GRATIS UITTREKSEL
16 6212 PW, 17/898 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 18 augustus 2016, 16/2047 (aangevallen uitspraak 1), en van 22 december 2016, 16/5666 (aangevallen uitspraak 2), en uitspraak op de verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

Datum uitspraak: 14 augustus 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Daskapan hoger beroepen ingesteld en verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade. Nadien heeft mr. N.M. Fakiri, advocaat, zich in beide zaken als opvolgend gemachtigde van appellant gesteld.

Het college heeft verweerschriften en in zaak 17/898 PW nadere stukken ingediend.

Namens appellant heeft mr. Fakiri in zaak 16/6212 PW een aanvullend hoger beroepschrift en nadere stukken ingediend en in zaak 17/898 PW een reactie ingezonden op de door het college ingediende nadere stukken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Fakiri. Als tolk is verschenen M. Cordes. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. Buizert.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is van [datum] 1977 tot en met [datum] 1998 gehuwd geweest met [naam 1] ( [X] ). Uit dat huwelijk zijn vier kinderen geboren. [X] woont sinds 9 juli 2002 op

het adres [adres 1] (adres [adres 1] ). Op dat adres hebben ook twee (meerderjarige) kinderen van appellant ingeschreven gestaan. De woning op het adres [adres 1] hebben appellant en [X] gezamenlijk gekocht. De koopovereenkomst van de

- op dat moment nog te bouwen - woning dateert van 22 april 2002.

1.2.

Appellant ontving sinds 26 november 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Het uitkeringsadres was [adres 2] (adres [adres 2] ). Van de gezamenlijke koopwoning met [X] heeft appellant toen geen opgave gedaan. In de periode van 1 juni 2009 tot 23 april 2013 heeft appellant in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) - thans basisregistratie personen - op het uitkeringsadres ingeschreven gestaan. In de periode van 9 juli 2002 tot 24 september 2003 en van 21 maart 2005 tot 1 juni 2009 stond appellant ingeschreven op het adres [adres 1] . Vanaf 23 april 2013 staat appellant in de GBA ingeschreven op het adres [adres 3] (adres [adres 3] ).

1.3.

Naar aanleiding van ontstane twijfel over de woonsituatie van appellant, meer in het bijzonder of appellant mede-eigenaar was van de woning op het adres [adres 1] , waar [X] , met twee kinderen woonde, en omdat uit bankafschriften was gebleken dat appellant ter zake van dat adres de betalingen verrichtte aan de nutsbedrijven Dunea, Eneco en Ziggo, heeft een medewerker van de Afdeling Bijzonder Onderzoek van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Den Haag (medewerker BO) in 2011 een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de medewerker BO onder meer informatie opgevraagd over het water- en energieverbruik op de adressen [adres 1] en [adres 2] , bankgegevens opgevraagd bij appellant en op 7 december 2011 een gesprek gevoerd met appellant. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in rapportages van 27 september 2011 en 7 december 2011, 20 januari 2012 en 8 maart 2012. In laatstgenoemde rapportage staat onder meer vermeld dat op 24 februari 2012 een huisbezoek is afgelegd aan het adres [adres 2] , dat de deur toen werd geopend door een man die vertelde dat appellant er niet woont en dat appellant in reactie op de uitnodiging voor een gesprek op 8 maart 2012 heeft laten weten dat hij niet op die afspraak komt, omdat hij werkt. Vervolgens heeft de medewerker in de rapportage opgenomen: “Ik kan niet meer doen dan de zaak af te sluiten”. Aan het slot van het rapport staat vermeld: “Onderzoek afgerond, afleggen onvoldoende aanknopingspunten. Uitkering is al beëindigd.”.

1.4.

Bij besluit van 6 maart 2012, zoals gewijzigd bij besluit van 21 maart 2012, heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 maart 2012 ingetrokken op de grond dat appellant sinds 15 februari 2012 inkomsten uit werk ontvangt.

1.5.

Op een daartoe strekkende aanvraag heeft het college appellant met ingang van

24 maart 2014 opnieuw bijstand verleend op grond van de WWB naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van tien procent. Het opgegeven uitkeringsadres was het adres [adres 3] . Daar woont ook een zus van appellant met haar gezin.

1.6.

Naar aanleiding van een interne melding van 16 februari 2015 dat, kort gezegd, wordt betwijfeld of appellant wel op het adres [adres 3] woont en hij mogelijk verblijft in de eigen koopwoning op het adres [adres 1] , heeft een medewerker BO opnieuw een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand.

1.6.1.

In dat kader heeft de medewerker BO onder meer internetonderzoek gedaan en bij Dunea en Eneco gegevens over het water- en energieverbruik op het adres [adres 1] opgevraagd. Dunea heeft waterverbruiksgegevens van dat adres verstrekt over de periode van 25 juni 2002 tot en met 11 december 2014. Het verbruik op genoemd adres bedroeg in de periode van 13 december 2009 tot 7 december 2010 245 m3, in de periode van 7 december 2010 tot 18 december 2011 248 m3, in de periode van 18 december 2011 tot 5 december 2012 172 m3, in de periode van 5 december 2012 tot 12 december 2013 218 m3 en in de periode van 12 december 2013 tot 11 december 2014 188 m3.

1.6.2.

Voorts heeft de medewerker BO de bewoonster van het adres [adres 4] en de bewoner van het adres [adres 5] als getuigen gehoord. De bewoonster van eerstgenoemd adres heeft op 1 september 2015 verklaard dat zij al sinds 2004 op dat adres woont, dat zij de bewoners op nummer [nummer 1] kent, dat die bewoners daar wonen sinds zij er woont, dat het gezin bestaat uit een man en een vrouw, dat zij beiden van Turkse afkomst zijn en er als stel of gezin wonen, dat de man genaamd is [naam 2] , dat zij niet veel contact heeft met de bewoners van nummer [nummer 1] , maar hen wel af en toe in de tuin ziet zitten of bij het voorbijgaan op straat en dat zij de man voor het laatst op de Haagse markt heeft gezien. De bewoner van het adres [adres 5] heeft op 10 september 2015 verklaard dat hij al sinds 2007 op dat adres woont, dat hij de bewoners op nummer [nummer 2] kent als de familie [naam 2] , dat het gezin bestaat uit een vader en een moeder van rond de 50 jaar, een zoon en een dochter, dat hij de bewoners bijna dagelijks ziet, dat hij de man van de getoonde foto niet kent en ook nooit heeft gezien en dat hij met zekerheid kan zeggen dat de man van wie de foto wordt getoond niet op nummer [nummer 2] woont en daar ook nooit heeft gewoond.

1.6.3.

Bij brief van 10 september 2015 heeft een medewerker BO appellant uitgenodigd voor een kantoorgesprek op 15 september 2015. Voorafgaand aan dit gesprek hebben twee medewerkers BO, na een waarneming vanuit de dienstauto te hebben verricht bij de woning op het adres [adres 1] , een huisbezoek afgelegd aan dit adres. Over de waarneming is in de rapportage van 21 september 2015, waarin de bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd, vermeld dat appellant de woning via de voordeur verliet en naar buiten liep met een fiets aan zijn hand. Daarop hebben de medewerkers appellant aangesproken. Over het huisbezoek is in de rapportage, samengevat weergegeven, het volgende opgenomen. Appellant opende de voordeur met een sleutel. Voordat de woning werd binnengetreden, hebben de medewerkers BO appellant de concrete reden van het huisbezoek uitgelegd en de zogeheten ‘informed consent’ vastgesteld. Appellant verklaarde geen bezwaar te hebben tegen het onderzoek en gaf door middel van een digitale ondertekening van het digitale formulier op de iPad toestemming voor het huisbezoek. D voegde zich in de hal bij appellant. Onder het kopje ‘4. Verslag huisbezoek’ is onder meer het volgende opgenomen:

“Hierop betraden wij de woning en liepen met (appellant) en (D) naar de woonkamer. (…) Beiden reageerden verrast op onze komst en (…) ontstemd. (…) Hierop is aan (appellant) en (D) uitgelegd wat de procedure is en de reden van een onaangekondigd huisbezoek. (Appellant) en (D) wilden geen genoegen nemen met de uitleg en bleven bezwaar maken tegen het huisbezoek. (…) Omdat (appellant) en (D) niet de intentie leken te hebben om ons, rapporteurs, de woning te tonen drongen wij nogmaals bij belanghebbende aan om zijn medewerking te verlenen aan het huisbezoek. Hierop liep betrokkene (…) via een trap naar een boven gelegen verdieping van de woning. (…) Hierop verzochten wij aan (appellant) om met ons mee te lopen naar boven. Op de vraag waar (appellant) sliep, wees (appellant) naar een slaapkamer, waarvan de deur openstond, waar op dat moment (D) het beddengoed aan het rechttrekken was. (…) In de slaapkamer vroeg ik, rapporteur (…) of appellant een kledingkast wilde openen. (Appellant) protesteerde en zei dat het niet zijn huis en niet zijn spullen zijn en daarom geen toestemming kon geven. (Appellant) zei dat hij wel mee wilde werken maar dat het niet van hem afhing maar van zijn ex-vrouw omdat het huis van haar was. Wij, rapporteurs, moesten...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT