Uitspraak Nº 16/705263-17 (P). Rechtbank Midden-Nederland, 2019-04-11

CourtRechtbank Midden-Nederland (Neederland)
Docket Number16/705263-17 (P)
ECLIECLI:NL:RBMNE:2019:1476
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/705263-17 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 11 april 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1967] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 5 maart 2018, 16 mei 2018, 4 juli 2018, 10 december 2018, 6 maart 2019 en 28 maart 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. J.R.F. Esbir Wildeman en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 1 januari 2012 tot en met 11 september 2017 te Nieuwegein en/of in Nederland, samen met anderen een gewoonte heeft gemaakt van witwassen;

feit 2: in de periode van 1 maart 2017 tot en met 11 september 2017 in Nieuwegein, Maarsen en/of in Nederland en/of Europa heeft deelgenomen aan een criminele organisatie;

feit 3: op 11 september 2017 in Nieuwegein samen met anderen opzettelijk cocaine en MDMA aanwezig heeft gehad;

feit 4: op 11 september 2017 in Nieuwegein, samen met anderen een reisdocument voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit vals of vervalst was.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS
4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. De officier heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 2: de criminele organisatie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van oplichtingen. De officier van justitie heeft zich daarbij gebaseerd op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien. Volgens de officier van justitie kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat de organisatie (gewoonte)witwassen als oogmerk had. Verdachte moet dan ook van dat deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 1: (gewoonte)witwassen

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich samen met zijn partner/medeverdachte [medeverdachte 4] heeft schuldig gemaakt aan opzettelijk witwassen. Zij hebben door middel van een twaalftal omzettingshandelingen in totaal € 267.757,42 aan contant vermogen – uit enig misdrijf afkomstig – omgezet. De samenhang tussen de bewijsmiddelen ten aanzien van de eenvoudige kasopstelling en de deelname aan een criminele organisatie rechtvaardigt het vermoeden dat de geldstromen in de ten laste gelegde periode hun oorsprong vinden in enig (oplichtings)misdrijf. Uit OVC- en tapgesprekken blijkt dat verdachte en [medeverdachte 4] op de hoogte waren van de illegale herkomst van het geld. Nu zij dit geld gedurende een substantiële periode hebben witgewassen, kan worden bewezen dat zij een gewoonte van het witwassen hebben gemaakt.

Ten aanzien van feit 3: verdovende middelen

Ook het onder feit 3 ten laste gelegde is volgens de officier van justitie wettig en overtuigend te bewijzen, gelet op het proces-verbaal van doorzoeking van de woning van verdachte, diens eigen verklaring en het rapport van het NFI. De officier vordert partiële vrijspraak ten aanzien van het medeplegen, nu dat deel van de tenlastelegging niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Ten aanzien van feit 4: de valse identiteitskaart

De officier acht ook het onder feit 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. De identiteitskaart is in de woning van verdachte aangetroffen en uit onderzoek is gebleken dat het een valse identiteitskaart betrof. Uit OVC-gesprekken blijkt dat verdachte hiervan op de hoogte was. Ook ten aanzien van dit feit kan niet worden bewezen dat sprake was van medeplegen. De officier vordert dan ook partiële vrijspraak van dit deel van de tenlastelegging.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de ten laste gelegde feiten het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 2: de criminele organisatie

De rechtbank begrijpt uit het mondelinge pleidooi van de raadsman dat hij het bestaan van de criminele organisatie en de deelname van verdachte daaraan niet heeft betwist. De raadsman heeft wel bepleit dat slechts kan worden bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte 3] aan de organisatie heeft deelgenomen. Dat verdachte een leidinggevende rol in die organisatie had, blijkt onvoldoende uit de bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 1: (gewoonte)witwassen

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1 ten laste gelegde.

De raadsman heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte geld uit eigen misdrijf heeft witgewassen. De raadsman heeft daarbij vooropgesteld dat witwassen van geld uit eigen misdrijf tot 1 januari 2017 niet strafbaar was gesteld. Nu uit de ter terechtzitting voorgehouden stukken niet blijkt dat in de periode ná 1 januari 2017 door de vermeende criminele organisatie geld is verdiend met het plegen van delicten, moet verdachte worden vrijgesproken van dat deel van de tenlastelegging.

Volgens de raadsman kan evenmin wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte geld uit enig misdrijf heeft witgewassen, nu hij een min of meer verifieerbare verklaring heeft afgelegd ten aanzien van de herkomst van de in de kasopstelling genoemde bedragen. Conform jurisprudentie is het vervolgens aan het Openbaar Ministerie om deze verklaring te verifiëren. Dat heeft het Openbaar Ministerie niet gedaan, wat betekent dat verdachte ook voor het overige dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 ten laste gelegde.

Ten aanzien van feit 3: verdovende middelen

Verdachte heeft het onder feit 3 ten laste gelegde bekend. De verdediging heeft zich ten aanzien van dat feit dan ook gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 4: de valse identiteitskaart

De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten behoeve van de leesbaarheid van het vonnis worden de bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 2 en 4 onder paragraaf 4.3.1. weergegeven en worden tussendoor reeds korte bewijsoverwegingen opgenomen. Paragraaf 4.3.2. betreft een algehele bewijsoverweging ten aanzien van feit 2. In de paragrafen 4.3.3. en 4.3.4. wordt het bewijs voor feit 1 weergegeven en besproken en in paragraaf 4.3.5 wordt ingegaan op het bewijs voor feit 3. De bewijsmiddelen worden telkens slechts gebruikt voor het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben. De rechtbank gaat op grond van wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

4.3.1

Bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 2 en 4

(criminele organisatie en valse identiteitskaart)

Aanleiding

Naar aanleiding van informatie van het Team Criminele Inlichtingen (hierna: TCI) over mogelijke criminele activiteiten van verdachte is de politie eenheid Midden-Nederland een onderzoek (09Piano) naar hem gestart.2 Er is een bevel tot observatie van verdachte verstrekt en ter ondersteuning daarvan is op 3 maart 2017 een baken geplaatst onder de auto (op naam van) van verdachte, een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] (hierna: de Volkswagen).3

Contacten met medeverdachten

Uit voormeld onderzoek is gebleken dat verdachte regelmatig contact had met medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ). Over deze contacten is – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende geverbaliseerd:

Op 7 maart 2017 heeft het observatieteam de Volkswagen met twee mannen vanuit Amsterdam naar Maarssen gevolgd. De bestuurder werd herkend als [verdachte] . In Maarssen is waargenomen dat de twee mannen bij [adres] te [woonplaats] naar binnen gingen. Later op diezelfde dag werd verdachte in gezelschap van [medeverdachte 1] gecontroleerd in Amsterdam.4

Uit de bakengegevens van de Volkswagen bleek dat de auto op 13 maart 2017 stil stond bij het Carlton President Hotel in Utrecht.5 De verbalisant die [medeverdachte 1] en Verdachte gecontroleerd had [de rechtbank begrijpt: op 7 maart 2017], herkende aan de hand van de camerabeelden van het Carlton hotel [de rechtbank begrijpt: beelden van 13 maart 2017] de kleine man als [medeverdachte 1] en de lange man als [verdachte] .6

Op beelden van het Carlton President Hotel in Utrecht van 22 maart 2017 is te zien dat twee personen de Volkswagen7 uitstappen. Te zien is dat de bijrijder, die de verbalisant op latere beelden herkent als [medeverdachte 1] en de bestuurder, die de verbalisant herkent als verdachte, richting de ingang van het hotel lopen.8

In een proces-verbaal van observatie van 31 maart 2017 wordt – zakelijk weergegeven – het volgende geverbaliseerd:

De Volkswagen Golf reed op de Tesselschadestraat in Amsterdam. Ik herkende de bestuurder als [medeverdachte 1] . Ik zag dat een man die ik herkende als subject [verdachte] op de Tesselschadestraat liep.9...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT