Uitspraak Nº 16/706270-16 (P). Rechtbank Midden-Nederland, 2019-10-02

Datum uitspraak: 2 oktober 2019
Uitgevende instantie::Rechtbank Midden-Nederland
 
GRATIS UITTREKSEL
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/706270-16 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 2 oktober 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1968] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 september 2019, waarop de inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden. Op 18 september 2019 is het onderzoek gesloten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. N.T.R.M. Franken en van hetgeen verdachte en mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1

A) in de periode van 25 juni 2014 tot 29 oktober 2014 te Soest, althans in Nederland, feitelijk leiding heeft gegeven aan het samen met anderen, althans alleen, gebruik maken van valse of vervalste documenten;

B) in de periode van 25 juni 2014 tot 29 oktober 2014 te Soest, althans in Nederland samen met anderen, althans alleen, gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten.

Feit 2

A) in de periode van 29 oktober 2014 tot en met 18 juli 2017 te Soest of Amsterdam, samen met anderen, althans alleen, 4,5 miljoen euro en vier recreatieparken (bestaande uit kavels grond en/of opstalrechten en/of appartementsrechten) heeft witgewassen;

B) in de periode van 29 oktober 2014 tot en met 18 juli 2017 te Soest of Amsterdam, feitelijk leiding heeft gegeven aan het samen met anderen, althans alleen, witwassen van 4,5 miljoen euro en vier recreatieparken (bestaande uit kavels grond en/of opstalrechten en/of appartementsrechten).

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS
4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen en baseert zich daarvoor op de bewijsmiddelen zoals deze zich in het dossier bevinden.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte en witwassen zowel als natuurlijke persoon (medepleger) als in zijn rol als feitelijk leidinggever. Verdachte heeft de onderhandelingen met [onderneming 1] Ltd. (hierna [onderneming 1] ) en de banken gevoerd en heeft de vervalste bankbrieven aan getuige [getuige 1] van [onderneming 1] toegezonden. Uit de verklaring van [getuige 1] volgt dat deze bankbrieven leidend zijn geweest bij het verstrekken van de lening, zodat sprake is van misleiding. Het geld dat verdachte hierdoor heeft kunnen lenen is uit misdrijf verkregen en vervolgens witgewassen door hiermee vier recreatieparken1 te kopen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 ten laste gelegde – zowel in de variant van het (mede)plegen als in het feitelijk leidinggeven – en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat verdachte wist dat de bankbrieven vervalst waren, zodat opzet ontbreekt. Verschillende personen binnen [onderneming 2] hebben de beschikking over de brieven gehad. Verdachte heeft de brieven slechts achteloos aan [getuige 1] toegezonden, zonder verder kennis te nemen van de inhoud.

Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat geen sprake is van misleiding. Ten eerste omdat [onderneming 1] (vertegenwoordigd door [getuige 2] en [getuige 1] ) op de hoogte was van de daadwerkelijke koopprijs. Zij beschikte namelijk over de opstelling van notaris [notaris 1] en de notariële afrekening van notaris [notaris 2] . Daarnaast waren [getuige 1] en [getuige 2] aanwezig bij de overdracht van de parken. Het is onbestaanbaar dat de koopprijs bij de overdracht niet is besproken. Ten tweede omdat al overeenstemming over de hoogte van de lening was bereikt, ruim voordat de vervalste bankbrieven waren toegezonden. De vervalste bankbrieven hebben dus geen rol gespeeld bij de overeengekomen hypothecaire lening en zijn dan ook niet met het oogmerk van misleiding toegezonden.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman primair bepleit dat een vrijspraak voor feit 1 automatisch tot gevolg heeft dat er geen sprake kan zijn van witwassen. Er is dan immers geen sprake van uit misdrijf verkregen geld.

Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat de vervalste brieven geen invloed hebben gehad op het verstrekken van de lening, omdat er al overeenstemming was bereikt over de hoogte van de lening. Dit maakt dat de verkregen lening niet van misdrijf afkomstig is en er dus geen sprake is van witwassen.

Meer subsidiair heeft de raadsman bepleit dat [onderneming 1] ook zonder de vervalste bankbrieven een lening zou hebben verstrekt, zij het mogelijk voor een lager bedrag. Dit betekent dat niet de gehele lening uit misdrijf verkregen geld betreft, maar slechts een klein deel daarvan.

Ten slotte stelt de raadsman zich op het standpunt dat met de aankoop van de parken niet ook de parken zijn witgewassen, maar alleen het geld, zodat verdachte in het meest subsidiaire geval ten minste moet worden vrijgesproken van het witwassen van de parken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 2

4.3.1

Feit 1: valsheid in geschrifte

4.3.1.1 Bewijsmiddelen

ABN AMRO Bank heeft aangifte gedaan. In de aangifte wordt het volgende verklaard:

Op 25 juni 2014 heeft ABN AMRO Bank een brief gestuurd aan de directie van [onderneming 2] B.V. inzake de verkoop van de recreatieparken [recreatiepark 1] en [recreatiepark 2] en een door Rabobank West Betuwe gefinancierd park, te weten [recreatiepark 3] . In deze brief was opgenomen dat ABN AMRO Bank en Rabobank bereid waren de genoemde 3 parken te verkopen voor EUR 3.000.000,- en dat met de ontvangst van de koopsom een aantal in de brief genoemde zekerheden vrijgegeven zouden worden. De brief is op 25 juni 2014 per email verstuurd aan [verdachte] ( [e-mailadres] .nl).

Op 25 juli 2014 heeft ABN AMRO Bank een tweede brief gestuurd aan de directie van [onderneming 2] B.V. inzake de verkoop van recreatiepark [recreatiepark 4] . In deze brief was opgenomen dat ABN AMRO bereid was het park te verkopen voor EUR 295.000,- en dat met de ontvangst van de koopsom een aantal in de brief genoemde zekerheden vrij gegeven zouden worden.

De brief is op 25 juli 2014 per e-mail verstuurd aan desk1 [onderneming 2] ( [e-mailadres] .com). De e-mail is gericht aan [verdachte] . Op 29 oktober 2014 heeft de overdracht van de genoemde recreatieparken plaats gevonden bij notaris [notaris 2] te Amsterdam. In de akte tot levering is [A] opgenomen als verkoper en [medeverdachte] als koper namens [onderneming 2] B.V..3

Op 17 augustus 2015 heeft de bank een melding ontvangen van mr. M.J.C. Wensink, advocaat bij Dirkzwager Advocaten & Notarissen, dat de genoemde brieven van ABN AMRO van 25 juni 2014 en 25 juli 2014 aan [onderneming 2] B.V. mogelijk zijn vervalst ten behoeve van het verkrijgen van een investering door haar cliënte [onderneming 1] .

Uit een beoordeling van de brief van 25 juni 2014 is gebleken dat de koopsom van EUR 3.000.000,- is aangepast naar EUR 4.800.000,-.

Uit een beoordeling van de brief van 25 juli 2014 is gebleken dat de koopsom van EUR 295.000,- is aangepast naar EUR 1.200.000,-.4

Rabobank Nederland heeft aangifte gedaan. In de aangifte wordt het volgende verklaard:

Op 25 juni 2014 heeft Rabobank Nederland een brief verzonden aan de directie van [onderneming 2] B.V. inzake de verkoop van het recreatiepark [recreatiepark 3] (gefinancierd door de Rabobank West Betuwe) en de recreatieparken [recreatiepark 1] en [recreatiepark 2] (beiden gefinancierd door de ABN-AMRO bank NV). In deze brief was opgenomen dat de Rabobank bereid was de zekerheid op het recreatiepark [recreatiepark 3] vrij te geven ten ontvangst van € 3.000.000,-. Deze brief is op 25 juni 2014 per e-mail verstuurd aan [verdachte] ( [e-mailadres] .nl).

Op 29 oktober 2014 heeft de overdracht van de genoemde recreatieparken plaats gevonden bij notaris [notaris 2] te Amsterdam. In de akte tot levering is [A] als verkoper, namens de aan hem gelieerde ondernemingen vermeld en als koper is vermeld [onderneming 2] B.V..5

Op 17 augustus 2015 heeft de Rabobank een melding ontvangen van mr. M.J.C.

Wensink dat de genoemde brief van de Rabobank Nederland mogelijk is vervalst ten behoeve van het verkrijgen van een investering door haar cliënte: [onderneming 1] . De Rabobank heeft deze brief ontvangen van mr. Wensink. Uit de beoordeling van de verstrekte brief is gebleken dat de koopsom is aangepast van € 3.000.000,- naar € 4.800.000,-.6

Getuige [getuige 1] heeft in een verhoor bij de politie verklaard:

[verdachte] wilde vier parken kopen en zocht een financier.7De stichting van zijn vrouw is op papier de eigenaar van [onderneming 2] B.V.. Zijn vrouw was nooit bij besprekingen aanwezig. Voor mij was alleen [verdachte] het contact. Hij handelde als eigenaar.8Volgens de brief van de bank bleek de koopsom 6 miljoen euro. De koopprijs is voor ons heel belangrijk. Wij gaan ervan uit dat de juiste verkoopprijs wordt getoond.9 Wij hebben hem gezegd dat hij nooit 6 miljoen zou krijgen, omdat wij nooit 100% financieren. Vervolgens hoorde ik [verdachte] zeggen dat hij wel 5 miljoen wilde. Ook dat wilden wij niet omdat wij dat teveel risico vonden. Uiteindelijk zijn wij akkoord gegaan dat wij hem 4,5 miljoen zouden geven en [verdachte]...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT