Uitspraak Nº 16/706755-17 (P). Rechtbank Midden-Nederland, 2019-04-11

CourtRechtbank Midden-Nederland (Neederland)
Docket Number16/706755-17 (P)
ECLIECLI:NL:RBMNE:2019:1498
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/706755-17 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 11 april 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1977] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 4 juli 2018, 10 december 2018, 6 maart 2019 en 28 maart 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. J.R.F. Esbir Wildeman en van hetgeen verdachte en haar raadsman, mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 1 januari 2012 tot en met 11 september 2017 te Nieuwegein, Maarssen en/of in Nederland en/of Europa, samen met anderen een gewoonte heeft gemaakt van witwassen;

feit 2: in de periode van 1 maart 2017 tot en met 11 september 2017 in Nieuwegein, Maarsen en/of in Nederland en/of Europa heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS
4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

Ten aanzien van feit 2: de criminele organisatie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van oplichtingen. De officier van justitie heeft zich daarbij gebaseerd op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien. Volgens de officier van justitie kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de organisatie (gewoonte)witwassen als oogmerk had. Verdachte moet van dat deel van de tenlastelegging dan ook worden vrijgesproken.

Witwassen, feit 1

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan zowel opzettelijk gewoontewitwassen als eenvoudig witwassen.

Over het opzettelijk witwassen heeft de officier opgemerkt dat de samenhang tussen de bewijsmiddelen ten aanzien van de eenvoudige kasopstelling en de deelname aan een criminele organisatie het vermoeden rechtvaardigt dat veel geldstromen/vermogen in de ten laste gelegde periode hun oorsprong vinden in enig (oplichtings)misdrijf. Verdachte heeft vervolgens aannemelijk gemaakt dat een deel van het vermogen haar niet toebehoort (een grote hoeveelheid aangetroffen sieraden ter waarde van € 75.712,-). De officier van justitie houdt daar in het voordeel van verdachte rekening mee. Dat geldt niet voor het overige vermogen en de geldstromen. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte wist van de illegale herkomst van het geld. Nu zij dit geld gedurende een substantiële periode heeft witgewassen, kan worden bewezen dat zij een gewoonte van het witwassen heeft gemaakt. De officier van justitie heeft partiële vrijspraak gevorderd ten aanzien van het medeplegen, nu niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en een ander.

Ook het witwassen in de zin van artikel 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr) kan wettig en overtuigend worden bewezen, met dien verstande dat kan worden bewezen dat verdachte een bedrag van € 15.700,- heeft witgewassen. De officier van justitie acht de verklaring van getuige [getuige 1] ongeloofwaardig.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Artikel 359a-verweer

Ondanks vele verzoeken is getuige [getuige 1] gehoord zonder dat de verdediging in de gelegenheid is gesteld daarbij aanwezig te zijn. Dat betekent dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv.) Het recht op een eerlijk proces is een essentieel strafvorderlijk beginsel dat strekt tot bescherming van de belangen van verdachte. Dit recht is als gevolg van voormeld vormverzuim ernstig geschonden, nu een – door de rechtbank ondersteund – verzoek van de verdediging door het Openbaar Ministerie is genegeerd. Dit heeft geleid tot een getuigenverklaring die mogelijk (ten onrechte) als nadelig voor verdachte kan worden gekwalificeerd.

Het vormverzuim kan slechts in beperkte mate worden hersteld door de aangetroffen (€ 15.700,-) en betaalde/gestorte geldbedragen (€ 200.296,-) van het bewijs uit te sluiten. Dit betreffen immers de bedragen die verdachte van getuige [getuige 1] heeft ontvangen. Het uitsluiten van de verklaring van [getuige 1] is geen optie, omdat het Openbaar Ministerie dan zou worden ‘beloond’ voor het schenden van de rechten van de verdediging.

Indien de rechtbank van oordeel is dat het witwasvermoeden door de getuigenverklaring van [getuige 1] niet genoegzaam is ontkracht, verzoekt de raadsman de rechtbank getuige [getuige 1] opnieuw – in aanwezigheid van de raadsman – te horen.

Ten aanzien van feit 2: de criminele organisatie

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van feit 2, nu niet kan worden bewezen dat verdachte deelnam aan de eventuele criminele organisatie. Verdachte en [medeverdachte 1] hadden veel contact met elkaar, met name over hun kinderen en kleinkind. Daarnaast hielp verdachte [medeverdachte 1] wel eens met wat administratieve, neutrale zaken, omdat hij analfabeet is. Uit de bewijsmiddelen kan echter niet worden afgeleid dat zij contact hadden over het verrichten van illegale handelingen. Verdachte had in de ten laste gelegde periode nauwelijks tot geen contact met medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Verder is niet gebleken dat verdachte op de hoogte was van eventuele criminele activiteiten van medeverdachte(n), laat staan dat zij onvoorwaardelijk opzet had op het oogmerk van de eventuele criminele organisatie.

Ten aanzien van feit 1: (gewoonte)witwassen en eenvoudig witwassen

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1 ten laste gelegde.

Ten aanzien van het opzettelijk (gewoonte)witwassen heeft de raadsman aangevoerd dat het aan het Openbaar Ministerie om te bewijzen dat de inkomsten uit witwassen afkomstig zijn. Pas wanneer er een gerechtvaardigd vermoeden bestaat dat sprake is van witwassen, mag van de verdachte een verklaring worden verlangd. De waarde van de inboedel van verdachte is ten onrechte in de kasopstelling meegenomen, omdat niet kan worden vastgesteld dat deze in de ten laste gelegde periode is aangeschaft. Daar komt bij dat verdachte – zoals vereist – min of meer concrete en verifieerbare verklaringen gegeven voor de geldstromen en de herkomst van haar overige vermogen. Deze verklaringen vinden steun in de getuigenverklaringen van [getuige 1] , [getuige 12] , [getuige 2] en [getuige 3] en [getuige 4] . Het Openbaar Ministerie is er niet in geslaagd deze verklaringen te ontkrachten.

Ten aanzien van het ten laste gelegde (gewoon) witwassen is van belang dat het enkele voorhanden hebben van geldbedragen die uit eigen misdrijf afkomstig zijn, niet als eenvoudig witwassen kan worden gekwalificeerd indien geen handeling is verricht die erop is gericht deze geldbedragen veilig te stellen. Een dergelijke handeling is door verdachte niet verricht. Daar komt nog bij dat uit de bewijsmiddelen überhaupt niet is gebleken dat verdachte geld heeft verdiend met het plegen van enig strafbaar feit.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten behoeve van de leesbaarheid van het vonnis worden de bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2 onder de eerste paragraaf (4.3.1.) weergegeven en worden tussendoor reeds korte bewijsoverwegingen opgenomen. Paragraaf 4.3.2. betreft een algehele bewijsoverweging ten aanzien van feit 2. In de paragrafen 4.3.3. en 4.3.4. wordt het bewijs voor feit 1 weergegeven en besproken. De bewijsmiddelen worden telkens slechts gebruikt voor het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben. De rechtbank gaat op grond van wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

4.3.1.

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2

Aanleiding

Naar aanleiding van informatie van het Team Criminele Inlichtingen over mogelijke criminele activiteiten van medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) is de politie eenheid Midden-Nederland een onderzoek (09Piano) naar hem gestart.2 Er is een bevel tot observatie van [medeverdachte 2] verstrekt en ter ondersteuning daarvan is op 3 maart 2017 een baken geplaatst onder de auto (op naam van) van [medeverdachte 2] , een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] (hierna: de Volkswagen).3 De gesprekken die in de auto van verdachte (de Volkswagen) zijn gevoerd, zijn van 19 mei 2017 tot en met 17 september 2017 opgenomen door middel van OVC-apparatuur (Opname Vertrouwelijke Communicatie).4

Het contact tussen verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]

Uit voormeld onderzoek is gebleken dat [medeverdachte 2] regelmatig contact had met [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ). Over deze contacten is – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende geverbaliseerd:

Op 7 maart 2017 heeft het observatieteam de Volkswagen met twee mannen vanuit Amsterdam naar Maarssen gevolgd. De bestuurder werd herkend als [medeverdachte 2]...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT