Uitspraak Nº 17/3930 ZW. Centrale Raad van Beroep, 2020-07-31

Datum uitspraak:31 juli 2020
 
GRATIS UITTREKSEL
17 3930 ZW

Datum uitspraak: 31 juli 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 april 2017, 16/8134 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. van Medenbach de Rooij, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 26 mei 2017 heeft mr. E.A.M. Brouwers-Bouwman zich gesteld als gemachtigde van appellante.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwers-Bouwman. Het Uwv heeft zich ter zitting niet laten vertegenwoordigen.

De Raad heeft het onderzoek heropend teneinde een psychiater als deskundige te benoemen.

Psychiater prof. dr. G. Glas is als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. De deskundige heeft op 14 november 2019 een rapport uitgebracht.

Partijen hebben op het deskundigenrapport gereageerd.

De meervoudige kamer van de Raad heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN
1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als inpakker/hulpkok voor 40 uur per week. Op 3 juli 2013 heeft zij zich ziek gemeld met gewrichtsklachten en rugklachten. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) hebben een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Appellante werd niet meer in staat geacht tot het verrichten van haar arbeid als inpakker/hulpkok, maar op basis van haar belastbaarheid als vastgesteld in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 8 mei 2014 werd zij wel tot het vervullen van de functies productiemedewerker textiel, wikkelaar en voedingsassistent in staat geacht. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 1 juli 2014 vastgesteld dat appellante per 3 augustus 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij per 2 juli 2014 meer dan 65% kon verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.

1.3.

Appellante heeft zich op 30 december 2015 per 20 oktober 2015 ziekgemeld met psychische klachten. Appellante heeft op 14 april 2016 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft appellante per datum ziekmelding 20 oktober 2015, subsidiair per
15 april 2016, geschikt geacht voor tenminste één van de in het kader van de EZWb geselecteerde functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 14 april 2016 vastgesteld dat appellante per 20 oktober 2015, subsidiair per 15 april 2016, geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van
31 augustus 2016 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dat besluit is een...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT