Uitspraak Nº 17/4495 ZW. Centrale Raad van Beroep, 2020-04-30

Datum uitspraak:30 april 2020
 
GRATIS UITTREKSEL
17 4495 ZW

Datum uitspraak: 30 april 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 mei 2017, 16/2561 ZW (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[werkgeefster B.V.] te [vestigingsplaats] (werkgeefster)

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J. van der Meulen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Werkgeefster heeft een zienswijze ingediend op grond van artikel 8:26 in samenhang met artikel 8:43 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het Uwv heeft een vraagstelling van de Raad beantwoord.

Naar aanleiding van de verzoeken van appellant en werkgeefster om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2020. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden. Werkgeefster is vertegenwoordigd door haar gemachtigde, L.A.M. de Groot Heupner.

OVERWEGINGEN
1.1.

Appellant was werkzaam als technisch medewerker bij werkgeefster, toen hem op

22 april 2015 een bedrijfsongeval overkwam. Werkgeefster is eigenrisicodrager in de zin van de Ziektewet (ZW). Het dienstverband is op 26 april 2015 geëindigd. Op 28 april 2015 heeft appellant zich per 22 april 2015 voor zijn werk ziek gemeld met rugklachten. Het Uwv heeft op verzoek van werkgeefster op 18 mei 2015 een besluit genomen waarbij is vastgesteld dat appellant met ingang van 23 april 2015 recht heeft op ziekengeld op grond van de ZW. De uitbetaling van de uitkering geschiedt op voorschotbasis, omdat de hoogte van de uitkering nog niet vaststaat. Bij besluit van 29 mei 2015, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van

16 juni 2015, is de hoogte van de uitkering definitief vastgesteld.

1.2.

Bij besluit van 6 november 2015 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant geschorst met ingang van 2 november 2015, omdat appellant niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen met betrekking tot de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling en re-integratie. Daarbij is appellant verzocht contact op te nemen met werkgeefster om de schorsing ongedaan te maken. Bij besluit van 26 november 2015 heeft het Uwv de toekenning van een ZW-uitkering geweigerd per 2 november 2015 omdat appellant niet op het contactverzoek van 6 november 2015 heeft gereageerd. Hierdoor beschikt werkgeefster over onvoldoende gegevens om vast te stellen of appellant arbeidsongeschikt is.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 1 april 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv de door appellant tegen de besluiten van 6 november 2015 en 26 november 2015 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht de ZW-uitkering heeft opgeschort onder toepassing van artikel 47a, tweede lid, onder c, van de ZW, omdat appellant zich niet heeft onthouden van ernstige misdragingen jegens (medewerkers van) [X] en [Y]. De gedragingen van appellant, waaronder het weglopen tijdens het spreekuur van de bedrijfsarts en het niet ondertekenen van een medische machtiging, hebben er volgens de rechtbank toe geleid dat de arbeidsongeschiktheid van appellant niet kan worden beoordeeld. Ook heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht met ingang van

2 november 2016 ziekengeld heeft geweigerd onder toepassing van artikel 45j van de ZW, omdat appellant niet heeft meegewerkt aan het medische onderzoek dat nodig is om zijn arbeidsongeschiktheid te kunnen vaststellen. Uit informatie van de huisarts van appellant is niet gebleken dat het niet nakomen van de verplichting tot meewerken aan een medisch onderzoek hem niet in overwegende mate is aan te rekenen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat in het besluit van 6 november 2015 geen termijn is gesteld...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT