Uitspraak Nº 17/654 WIA. Centrale Raad van Beroep, 2020-04-30

Datum uitspraak:30 april 2020
 
GRATIS UITTREKSEL
17 654 WIA

Datum uitspraak: 30 april 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

8 december 2016, 15/1751 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) (Staat)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.M. Wijngaard hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Wijngaard. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.

De Raad heeft het onderzoek heropend en een onafhankelijke verzekeringsarts benoemd als deskundige. De deskundige heeft op 6 januari 2020 rapport uitgebracht.

Geen van beide partijen hebben een zienswijze op dit rapport ingediend.

Partijen hebben toestemming verleend voor afdoening buiten zitting. Hierna is het onderzoek gesloten.

Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN
1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als telefoniste voor gemiddeld 30 uur per week. Na de wachttijd van 104 weken heeft het Uwv appellante per 2 maart 2012 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geweigerd omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.2.

Op 12 november 2012 heeft appellante zich, vanuit een werkloosheidssituatie, opnieuw ziek gemeld en een WIA-uitkering aangevraagd. In het kader van deze aanvraag heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 20 oktober 2014. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 30 oktober 2014 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 12 november 2012 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend.

1.3.

Het Uwv heeft bij besluit van eveneens 30 oktober 2014 vastgesteld dat appellante met ingang van 30 december 2014 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 20 mei 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 8 mei 2015 van een verzekeringsarts...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT