Uitspraak Nº 17/8140 WAJONG. Centrale Raad van Beroep, 2020-07-31

Datum uitspraak:31 juli 2020
 
GRATIS UITTREKSEL
17 8140 WAJONG

Datum uitspraak: 31 juli 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

8 november 2017, 16/8004 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. Hüsen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2020. Namens appellant is mr. Hüsen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M.A. Landman.

OVERWEGINGEN
1.1.

Appellant, geboren [in] 1977, heeft in verband met psychische klachten sinds 18 augustus 2007 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 1998) ontvangen, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2.

Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) in werking getreden. Bij brief van 8 maart 2016 heeft het Uwv aan appellant een voorlopige beoordeling arbeidsvermogen gestuurd, waarin is vermeld dat aangenomen wordt dat appellant arbeidsvermogen heeft. Appellant heeft in reactie daarop te kennen gegeven het niet eens te zijn met deze beoordeling. Na een medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 30 mei 2016 vastgesteld dat appellant arbeidsvermogen heeft, als gevolg waarvan de Wajong‑uitkering met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon.

1.3.

Bij besluit van 28 oktober 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 30 mei 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat het Uwv bij de beoordeling of een persoon arbeidsvermogen heeft als hier bedoeld, de methode sociaal‑medische beoordeling van arbeidsvermogen (SMBA) gebruikt. De rechtbank is van oordeel dat de SMBA-systematiek als ondersteunend systeem bij de beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie aanvaardbaar is en dat het Compendium Participatiewet (Compendium) dat het Uwv gebruikt om de SMBA-systematiek toe te passen is te kwalificeren als vaste gedragslijn, neergelegd in een interne werkinstructie.

De rechtbank heeft het onderzoek dat het Uwv naar het arbeidsvermogen van appellant heeft verricht zorgvuldig geacht. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat appellant niet tenminste vier uur per dag belastbaar is, niet tenminste een uur per dag aaneengesloten kan werken en geen basale werknemersvaardigheden heeft. De belasting in de voorbeeldtaak bestukken valt naar het oordeel van de rechtbank binnen de door de verzekeringsarts aangenomen beperkingen.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij geen arbeidsvermogen heeft, zodat hij met ingang van 1 januari 2018 onveranderd recht heeft op een uitkering ter hoogte van 75% van het minimumloon. Appellant heeft gesteld dat het kader dat het Uwv hanteert voor de beoordeling van de vraag of een betrokkene beschikt over mogelijkheden tot arbeidsparticipatie onzorgvuldig is samengesteld en niet is gebaseerd op objectieve criteria. Volgens appellant is onvoldoende duidelijk of een verzekeringsarts meent dat iemand een beperking heeft, wat ook aan de orde is in de medische rapporten die zien op appellant. De voorwaarden b, en c, van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) zijn op onzorgvuldige wijze ingevuld. Zo zijn volgens appellant ten onrechte gedrag, basale collegialiteit, basale discipline en tempo niet bij de basale werknemersvaardigheden betrokken. Ook noemt het Uwv ten onrechte slechts een beperkt aantal aspecten op het gebied van ernstige cognitieve beperkingen dat van betekenis kan zijn bij de beoordeling van de vraag of een betrokkene een uur aaneengesloten kan werken. Er is ook onvoldoende aandacht voor de vraag of iemand werk op langere termijn kan volhouden. Hierdoor komen besluiten onvoldoende zorgvuldig tot stand en dicht het Uwv...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT