Uitspraak Nº 18/00318 en 18/00319. Gerechtshof Amsterdam, 2020-05-12

CourtGerechtshof Amsterdam (Nederland)
Docket Number18/00318 en 18/00319
ECLIECLI:NL:GHAMS:2020:1189
GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 18/00318 en 18/00319

12 mei 2020

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en op het incidenteel hoger beroep van

[X BV] , belanghebbende,

gemachtigde: mr. M. Sanders (Loyens & Loeff te Amsterdam)

tegen de uitspraak van 26 april 2018 in de zaken met kenmerken HAA 15/3637 en HAA 15/4353 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding
1.1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 28 februari 2014 aan belanghebbende voor het jaar 2007/2008 een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 238.272.469 en zonder verrekening met de aanslag van dividendbelasting. Gelijktijdig is bij afzonderlijke beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

1.1.2.

De inspecteur heeft met dagtekening 23 februari 2015 aan belanghebbende een informatiebeschikking (als bedoeld in artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen) afgegeven die onder meer betrekking heeft op nog op te leggen aanslagen Vpb 2009/2010, 2011/2012 en 2012/2013.

1.2.

Na daartegen gemaakte bezwaren heeft de inspecteur bij uitspraken van 19 augustus 2015 en 7 oktober 2015 de navorderingsaanslag Vpb respectievelijk de informatiebeschikking gehandhaafd. Belanghebbende heeft daartegen beroep bij de rechtbank ingesteld.

1.3.

De rechtbank heeft bij de uitspraak van 26 april 2018 op het beroep van belanghebbende als volgt beslist (belanghebbende is aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):


“ De rechtbank:

- in de zaak HAA 15/3637 [Hofkenmerk: 18/00318]

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de informatiebeschikking;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.505, en

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331 aan eiseres te vergoeden;

- in de zaak HAA 15/4353 [Hofkenmerk: 18/00319]

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de navorderingsaanslag Vpb 2007/2008;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.004, en

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331 aan eiseres te vergoeden.”

1.4.

De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank op 4 juni 2018 hoger beroep bij het Hof ingesteld. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank op 25 februari 2019 incidenteel hoger beroep bij het Hof ingesteld.

1.5.

Partijen hebben bij het Hof de navolgende stukken ingediend:

- een brief van de inspecteur (gedateerd 16 oktober 2018), inhoudende een motivering van het hoger beroep en met stukken waarvoor hij een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) doet. Hierop heeft belanghebbende bij brief van 27 november 2018 gereageerd. De op 16 oktober 2018 ingediende motivering is ter zitting van het Hof van 12 december 2018 door de inspecteur ingetrokken. Het Hof rekent dit stuk niet tot de gedingstukken. In overleg met partijen is de inspecteur tijdens de hierna vermelde regiezitting in de gelegenheid gesteld om de op 16 oktober 2018 ingediende motivering van het hoger beroep te vervangen;

- de op 16 oktober 2018 ingediende motivering van het hoger beroep

- bij brief met bijlagen (gedateerd 15 januari 2019), de (vervangende) motivering van het hoger beroep;

- een verweerschrift (gedateerd 30 april 2019) van belanghebbende betreffende het hoger beroep van de inspecteur;

- een verweerschrift (gedateerd 8 april 2019) van de inspecteur betreffende het incidenteel hoger beroep van belanghebbende

- nadere stukken (bij brief van 23 mei 2019) van de inspecteur;

- nadere stukken (bij brieven van 14 juni 2019) van belanghebbende (één betreft het hoger beroep en één betreft het incidenteel hoger beroep van belanghebbende).

1.6.

Op 12 december 2018 heeft een regiezitting plaatsgevonden. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is toegezonden.

1.7.

De behandeling van het hoger beroep is in verband met het beroep van de inspecteur op artikel 8:29 Awb bij brief van 19 december 2018 doorverwezen naar de vierde meervoudige belastingkamer (hierna: de geheimhoudingskamer).

1.8.

Op 19 februari 2019 heeft het onderzoek ter zitting door de geheimhoudingskamer plaatsgevonden. De geheimhoudingskamer heeft op 2 april 2019 op het 8:29-beroep van de inspecteur beslist (zie ECLI:NL:GHAMS:2019:1270). Naar aanleiding van deze beslissing heeft de inspecteur op 28 mei 2019 nadere stukken ingediend.

1.9.1.

Het onderzoek ter zitting is aangevangen op 26 juni 2019. Namens belanghebbende zijn verschenen [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] , bijgestaan door de gemachtigde mr. M. Sanders en mr. T.C. Gerverdinck; met de gemachtigde zijn meegekomen drs. M.S.W. Klerks en D.L. Heijtel (kantoorgenoten) en P. Molenaar en C. Pennings (tolken).

Namens de inspecteur zijn verschenen mr. F. Buikema, mr. P.T. van Arnhem, mr. S. de Glee, drs. P. Bisambhar RA, drs. R.J.M.K. Rademakers, drs. J.A.M. Stavenuiter RA, C. Huussen en R. Wegter RA. De zitting is op 26 juni 2019 geschorst.

1.9.2.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 2 juli 2019. Namens belanghebbende zijn verschenen [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] , bijgestaan door de gemachtigde mr. M. Sanders; met de gemachtigde zijn meegekomen drs. M.S.W. Klerks en D.L. Heijtel (kantoorgenoten) en P. Molenaar en C. Pennings (tolken).
Namens de inspecteur zijn verschenen mr. F. Buikema, mr. P.T. van Arnhem, drs.P. Bisambhar RA, drs. R.J.M.K. Rademakers, drs. J.A.M. Stavenuiter en R. Wegter RA.

Van het verhandelde ter zitting zijn processen-verbaal opgemaakt die met de uitspraak aan partijen zijn toegezonden.

2 Feiten

Het debat tussen partijen in hoger beroep is voor het Hof aanleiding de feiten zelfstandig vast te stellen.

De vennootschappelijke structuur
2.1.1. Belanghebbende, hierna ook aangeduid met [X BV] , is op 21 maart 2006 opgericht.

2.1.2.

Het bestuur van belanghebbende wordt gevormd door medewerkers van [kantoor] , een trustkantoor, en medewerkers die in dienst zijn van één tot de [X] -groep behorende vennootschappen, niet zijnde belanghebbende. Belanghebbende heeft geen medewerkers in dienst.

2.2.1.

Belanghebbende maakt deel uit van een Amerikaans bankenconcern dat bekend is onder de naam [X] .

2.2.2.

Het Europese hoofdkantoor van [X] bevindt zich in Londen.

2.2.3.

De enig aandeelhouder van belanghebbende is [Y Ltd] , opgericht op 28 februari 2006, een special purpose vennootschap gevestigd in het Verenigd Koninkrijk (VK) (hierna ook: [Y Ltd] ). Enig aandeelhouder van [Y Ltd] is het in het VK gevestigde [Z Plc] (hierna: [Z Plc] ), voorheen [Z Ltd] ( [Z Ltd] ).

2.2.4.

[Z Plc] is de Europese ‘broker dealer’ van [X] en is lid van diverse effectenbeurzen. Belanghebbende is geen lid van een effectenbeurs.

2.2.5.

De dagelijkse administratieve en operationele werkzaamheden van belanghebbende werden uitgevoerd door de onder 2.1.2 bedoelde medewerkers van [X] ; zie tevens ‘Step 3’, sub 3, van het onder 2.5.3 aangehaalde memorandum. Hierover heeft belanghebbende in een brief aan de inspecteur van 2 april 2014 het volgende verklaard:


“Management decisions of [belanghebbende] are (and have always been) taken by the board of directors of [belanghebbende] in the Netherlands. Only the day to day administrative and operational work is carried out outside the Netherlands, (…).
(…) the day to day administration of [belanghebbende] is carried out in the same way as that of other [X] subsidiaries. The investment strategy of [belanghebbende], once it was established, required little in the way of active administration from personnel (although it did entail a not significant use of firm-wide infrastructure). The long stock positions were long term static investments and the futures contracts were held for a three month period, and, prior to expiry, were rolled into the next maturity.
The day to day administration required from [X] group employees was very low level given the nature of the administrative process (…). The preparation of interim and year-end reporting is done by employees of [X] in a centralised financial administration function. Review and approval of the financial statements, once the external audit was complete, was carried out by the board of directors and the shareholders’ meeting of [belanghebbende]. Material decisions were taken with the approval of the board of directors in the Netherlands.”

2.2.6.

Ter zitting van het Hof van 26 juni 2019 heeft belanghebbende onder meer het volgende verklaard:

“De bestuursleden die de feitelijke bestuurswerkzaamheden verrichten zijn niet in dienst van [Z Plc] . Het [X] concern maakt gebruik van een zogenoemde employment company die iedereen in dienst heeft en vervolgens ter beschikking stelt of uitleent aan vennootschapen in het concern van [X] , onder andere [Z Plc] .

Het Hof vraagt of de aan [Z Plc] uitgeleende werknemers exclusief werkzaamheden verrichten voor [Z Plc] of ook bijv. voor belanghebbende. De werknemers verrichten zowel voor [Z Plc] als voor belanghebbende werkzaamheden. Ik formuleer het als volgt: [Z Plc] heeft het mandaat gekregen om voor belanghebbende de strategie uit te voeren. De werknemers die zich hiermee bezig houden, doen dit voor [Z Plc] , die daarmee haar mandaat vervult.”


Het boekjaar
2.3. Het eerste boekjaar van belanghebbende loopt van 21 maart 2006 tot en met 30 november 2006. Het tweede boekjaar loopt van 1 december 2006 tot en met 30 september 2007. De boekjaren 2007/2008 en volgende lopen van 1 oktober...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT