Uitspraak Nº 18/00573. Hoge Raad, 2019-04-16

Datum uitspraak:16 april 2019
 
GRATIS UITTREKSEL

16 april 2019

Strafkamer

nr. S 18/00573

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 31 januari 2018, nummer 20/001005-17, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1942.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, en J.T.E. Vis, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadslieden hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 Waar het in deze zaak om gaat

De verdachte, die geen arts is, is zijn 99-jarige (stief)moeder, [betrokkene 1] , behulpzaam geweest bij zelfdoding. Gesprekken tussen [betrokkene 1] en haar huisarts hadden, ondanks de daartoe strekkende wens van [betrokkene 1] , niet ertoe geleid dat door de huisarts medewerking is verleend aan euthanasie. In juni 2008 heeft [verdachte] zijn (stief)moeder op haar uitdrukkelijke verzoek medicijnen verstrekt die zij heeft ingenomen, waarna ze is overleden.

[verdachte] heeft van de gebeurtenissen, waaronder een gesprek waarin zijn (stief)moeder zei dat ze klaar was met het leven, video-opnamen gemaakt. De beeldopnamen zijn op 8 februari 2010 in de documentaire 'De laatste wens van Moek. Een zelf geregisseerde dood' uitgezonden in het programma Netwerk. Daarop is [verdachte] vervolgd wegens strafbare hulp bij zelfdoding.

Het procesverloop in deze zaak is als volgt geweest:

(i) de Rechtbank Gelderland heeft de verdachte bij vonnis van 22 oktober 2013, ECLI:NL:RBGEL:2013:397 schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel;

(ii) het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 13 mei 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:344 geoordeeld dat de verdachte een beroep toekwam op overmacht in de zin van noodtoestand. Het Hof heeft de verdachte daarom ontslagen van alle rechtsvervolging.

(iii) de Hoge Raad heeft bij arrest van 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:418 het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden gedeeltelijk vernietigd. De beslissing van dat Hof over de bewezenverklaring is in stand gebleven. De Hoge Raad heeft het arrest uitsluitend vernietigd "wat betreft het door het Hof gegeven ontslag van alle rechtsvervolging" en de zaak verwezen naar het Hof 's-Hertogenbosch, "opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan".

(iv) het Hof 's-Hertogenbosch heeft de verdachte bij arrest van 31 januari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:345 wegens hulp bij zelfdoding veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. Namens de verdachte is cassatie ingesteld tegen dat arrest.

De Advocaat-Generaal Bleichrodt ziet in zijn conclusie van 18 december 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1385, geen reden om de uitspraak van het Hof te vernietigen. Ook de Hoge Raad komt hierna tot dat oordeel. De cassatiemiddelen die namens de verdachte zijn voorgesteld, worden door de Hoge Raad verworpen. De veroordeling van de verdachte is daarmee definitief.

3 De bestreden uitspraak
3.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

" [betrokkene 1] in de periode van 7 juni 2008 tot en met 8 juni 2008 in Ermelo zelfdoding heeft gepleegd (door het innemen van een combinatie van pillen), waarbij hij, verdachte, op een of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 8 juni 2008, in Ermelo en/of in Midlaren en/of in Ede, althans in Nederland,

opzettelijk [betrokkene 1] behulpzaam is geweest en opzettelijk [betrokkene 1] middelen daartoe heeft verschaft,

terwijl die zelfdoding daarop is gevolgd,

immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk:

- contact gelegd met de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (verder: NVVE) en afspraken gemaakt voor een bezoek van een consulent van de NVVE aan [betrokkene 1] en/of aan verdachte, welke consulent [betrokkene 1] en verdachte heeft geïnformeerd over (een) methode(n) van zelfdoding

en

- een publicatie van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek naar Zorgvuldige Zelfdoding (verder: WOZZ), uitgave 2008, getiteld 'Informatie over zorgvuldige levensbeëindiging', aangeschaft en geraadpleegd en gebruikt ten behoeve van de (wijze van) zelfdoding van [betrokkene 1]

en

- [betrokkene 1] geïnformeerd over (een) methode(n) van zelfdoding en de wijze waarop zelfdoding kan plaatsvinden

en

- een dag gepland (tezamen met [betrokkene 1] ) waarop de zelfdoding door inname van een hoeveelheid pillen zou plaatsvinden

en

- een protocol/handleiding opgesteld, met betrekking tot de wijze van uitvoeren van de zelfdoding

en

- voorafgaand aan en tijdens de uitvoering van de zelfdoding van [betrokkene 1] , [betrokkene 1] instructies en aanwijzingen gegeven omtrent de tijd en wijze van innemen van de voor de zelfdoding benodigde/te gebruiken pillen

en

- aan [betrokkene 1] (een deel van) de voor de zelfdoding benodigde / te gebruiken pillen verstrekt, namelijk ongeveer 4, zogenaamde anti braak pillen en ongeveer 75, Nivaquine/Chloroquine pillen en ongeveer 45, Oxazepam pillen en ongeveer 35, Temazepam pillen

en

ongeveer 45, Oxazepam pillen fijn gemaakt in een bakje en vervolgens yoghurt in dat bakje gedaan en ongeveer 75, Nivaquine/Chloroquine pillen in dat bakje gedaan en dit bakje met genoemde inhoud aangereikt aan [betrokkene 1]

en

- ongeveer 35, Temazepam pillen in een bakje gedaan en aangereikt aan [betrokkene 1]

en

- drinken aan [betrokkene 1] aangereikt om de voor de zelfdoding benodigde / te gebruiken pillen mee weg te spoelen."

3.2.

Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als "opzettelijk een ander bij zelfdoding behulpzaam zijn en hem de middelen daartoe verschaffen, terwijl de zelfdoding volgt". De bestreden uitspraak houdt, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende in:

"2. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

2.1.

Standpunt verdediging

Door de verdediging is nadrukkelijk opgemerkt dat deze zaak beoordeeld dient te worden tegen de achtergrond van een langdurige moeder-zoonrelatie en niet speelt op het veld van de Wtl en de daarin genoemde zorgvuldigheidseisen.

Voorts is door de verdediging opgemerkt dat, nu sprake is van een bijzondere regeling op het gebied van euthanasie/hulp bij zelfdoding, een beroep op overmacht noodtoestand weliswaar slechts bij hoge uitzondering kan worden aanvaard, maar dat op grond van de door de verdediging genoemde feitenvaststellingen desondanks geldt dat de verdachte heeft gehandeld uit overmacht noodtoestand. Enerzijds bestond voor verdachte de plicht om de wet (art. 294 lid 2 Sr) na te leven. Verdachte was van die bepaling en de jurisprudentie rond dat artikel op de hoogte. Daartegenover stond de ongeschreven morele plicht/maatschappelijke plicht/zorgplicht van de verdachte om zijn 99-jarige stiefmoeder te helpen bij het realiseren van een pijnloze, vredige en waardige dood. Bij de verdachte ontstond een conflict tussen hoofd en hart. Verdachte heeft een keuze gemaakt waarbij hij handelde uit liefde. Hij heeft de zwaarstwegende plichten en belangen laten prevaleren. Dit deed hij op een moment waarop de nood acuut werd en dat was het moment waarop duidelijk werd dat [betrokkene 1] mogelijk de daad bij haar wens om te sterven zou voegen met de door haar bewust opgespaarde, maar voor het doel ongeschikte eigen medicijnen. De verdachte bood zijn stiefmoeder op dat moment een alternatief dat zekerder en veiliger was.

De verdachte heeft daarbij zeer zorgvuldig gehandeld. Er was geen twijfel over mogelijk dat sprake was van een doorleefde doodswens, er is contact opgenomen met een consulent van de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (NVVE), er is aan de hand van het zogenaamde WOZZ-boekje een protocol opgesteld dat is geverifieerd door de betreffende consulent en nauwgezet is gevolgd. [betrokkene 1] heeft afscheid kunnen nemen van haar naasten en uit de opgenomen gesprekken met [betrokkene 1] blijkt dat zij erg blij was met het handelen van de verdachte.

Daarnaast heeft de verdachte gehandeld met inachtneming van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. De verdachte heeft, met inachtneming van de wens van [betrokkene 1] , gekozen voor een kort, vredig en pijnloos stervensproces. De verdachte had geen minder vergaand middel kunnen aanwenden of andere acties hoeven te ondernemen dan hij heeft gedaan. Versterven was geen optie voor [betrokkene 1] en zij was zelf niet in staat de benodigde medicijnen te verzamelen. Het raadplegen van een andere arts dan haar toenmalige huisarts [betrokkene 2] - die had geweigerd haar medewerking te verlenen aan het euthanasieverzoek van [betrokkene 1] - met de vraag of deze wel wilde meewerken aan een euthanasieverzoek, behoorde in 2008 niet tot de mogelijkheden omdat dergelijke verzoeken destijds kansloos waren. Dit wordt bevestigd door [betrokkene 4] en huisarts [betrokkene 2] . Het gewijzigde standpunt van de KNMG in dat verband dateert pas van 23 juni 2011. Volgens de verdediging komt de verdachte een beroep toe op overmacht noodtoestand en dient de verdachte van alle rechtsvervolging te worden ontslagen omdat het feit niet strafbaar is.

Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat art. 294, tweede lid Sr buiten toepassing dient te worden verklaard, nu onverkorte toepassing ervan een ontoelaatbare schending oplevert van verdachtes...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT