Uitspraak Nº 18/1191 WAO. Centrale Raad van Beroep, 2020-04-29

Datum uitspraak:29 april 2020
 
GRATIS UITTREKSEL
18/1191 WAO

Datum uitspraak: 29 april 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 februari 2018, 17/3193 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2020. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Veringmeijer.

OVERWEGINGEN

1. Appellante dient in verband met de terugvordering van te veel betaalde WAO-uitkering een bedrag van € 16.953,97 aan het Uwv terug te betalen. Appellante heeft telefonisch en schriftelijk aangegeven dit bedrag niet te kunnen betalen. Naar aanleiding daarvan heeft het Uwv de aflossingscapaciteit vastgesteld op € 68,20 per maand en bij besluit van 2 maart 2017 beslist dat dit bedrag maandelijks zal worden ingehouden op de WAO-uitkering van appellante. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij beslissing op bezwaar van 15 mei 2017 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is – voor zover in hoger beroep van belang – overwogen dat het Uwv terecht geen aanleiding heeft gezien af te wijken van de vaste gedragslijn dat bij de vaststelling van de aflossingscapaciteit alleen rekening wordt gehouden met de schulden van andere preferente schuldeisers. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het Uwv de schuld van appellante aan haar zoon ook had moeten betrekken bij het vaststellen van de aflossingscapaciteit. Bovendien is een deel van die schuld pas na de beslissing op het bezwaar ontstaan.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat er € 92,50 wordt ingehouden op haar uitkering in plaats van € 68,20. Ook klopt het niet dat ze € 146,- per maand overhoudt om van te leven en om haar zoon af te betalen. Ze heeft er daarbij op gewezen dat haar vaste lasten zijn gestegen en dat ze voor eten en boodschappen nu afhankelijk is van haar kinderen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT