Uitspraak Nº 18/1707. College van Beroep voor het bedrijfsleven, 2020-07-28

CourtCollege van Beroep voor het bedrijfsleven (Nederland)
Docket Number18/1707
ECLIECLI:NL:CBB:2020:503

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1707

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2020 in de zaak tussen

[naam 1] , handelend onder de naam Melkveebedrijf [naam 1], te [plaats] , gemeente Overijssel, appellant

(gemachtigden: mr. A. Tymersma en mr. J. Prins-Steenbeek),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Krari)

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Procesverloop

Bij besluiten van 21 oktober 2017, 31 maart 2018, 7 april 2018, 14 april 2018 en 21 april 2018 heeft verweerder op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellant een heffing opgelegd van € 2.789,- voor periode 1, € 1.138,- voor periode 2, € 1.402,- voor periode 3, € 3.154,- voor periode 4 en € 1.790,- voor periode 5.

Bij besluit van 6 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de door appellant tegen de primaire besluiten gemaakte bezwaren gegrond verklaard wat betreft het daarin gehanteerde referentieaantal, hoge geldsommen opgelegd van in totaal € 9.048,00 voor perioden 1 tot en met 5 en de bezwaren voor het overige ongegrond verklaard.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden en vergezeld door [naam 2] . Voor appellant is tevens verschenen zijn financieel adviseur [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen
  1. De Regeling is op 1 maart 2017 in werking getreden en heeft tot doel de fosfaatproductie te begrenzen. Voor de periodes van de Regeling (lopend van maart tot en met december 2017) legt verweerder een heffing op aan een melkveehouder die meer melkvee houdt dan het referentieaantal op 2 juli 2015 (de peildatum) en kent een bonusgeldsom toe indien een melkveehouder minder melkvee houdt dan het referentieaantal op de peildatum.

  2. Appellant exploiteert een melkveebedrijf. In november 2016 heeft hij zijn bedrijf vanwege de wijziging van het tracé van de N340 verplaatst van [adres 1] naar de [adres 2] te [plaats] . Vanaf 2011 heeft appellant met de provincie Overijssel contact gehad over de verplaatsing van het bedrijf. Appellant en de provincie hebben voor 30 juni 2015 overeenstemming bereikt over de verkoop van de bij het bedrijf behorende opstallen en gronden aan [adres 1] en de koop van de opstallen en gronden aan en nabij de [adres 2] . Op 30 juni 2015 heeft appellant de op de bedrijfsverplaatsing betrekking hebbende overeenkomsten getekend en op 6 augustus 2015 zijn de overeenkomsten tot stand gekomen. Op de peildatum van 2 juli 2015 hield appellant 59 melkkoeien, 29 pinken en 27 kalveren. Op 7 juli 2015 is een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 verleend voor het houden van 100 melkkoeien en 48 stuks jongvee op het bedrijf aan de [adres 2] . Appellant heeft op deze nieuwe bedrijfslocatie geïnvesteerd in een nieuwe stal die ruimte biedt aan 85 melkkoeien en 50 stuks jongvee.

  3. Verweerder ziet geen aanleiding om het referentieaantal te wijzigen. Appellant heeft niet gesteld of aangetoond dat op 2 juli 2015 sprake was van onderbenutting als gevolg van het infrastructuurproject. Daarmee voldoet appellant niet aan de voorwaarden van de knelgevallenregeling van artikel 72a, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (het Uitvoeringsbesluit). Verweerder heeft voorts uiteengezet dat onomkeerbare uitbreidingsinvesteringen zowel bij toepassing van de knelgevallenregeling van artikel 72a van het Uitvoeringsbesluit, als bij de toepassing van de knelgevallenregeling van artikel 12, tweede lid, van de Regeling, niet als knelgeval kunnen worden aangemerkt. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de door appellant aangevoerde omstandigheden niet maken dat sprake is van een individuele buitensporige last als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (artikel 1 EP). Verweerder ziet daarom geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule van artikel 13, derde lid, van de Landbouwwet.

Knelgeval

4. Appellant voert aan dat de 5%-voorwaarde van artikel 72a, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit voor haar onredelijk uitwerkt. Door de ontwikkelingen rondom de wijziging van het tracé van de N340 was het voor haar vanaf 2009 onmogelijk om haar bedrijf te laten groeien of uit te breiden, waardoor zij niet aan de 5%-voorwaarde kan voldoen. Zonder deze bijzondere omstandigheid zou haar referentieaantal evenwel hoger zijn geweest dan nu het geval is. Volgens appellant is voorts sprake van rechtsongelijkheid, omdat bij nieuw gestarte bedrijven wel compensatie mogelijk is voor latente stalruimte.

4.1.

Ingevolge artikel 72a, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit verhoogt de minister het fosfaatrecht, bedoeld in artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet, op verzoek van een landbouwer, indien op het bedrijf op 2 juli 2015 tijdelijk minder melkvee werd gehouden of over minder fosfaatruimte werd beschikt door de realisatie van een natuurgebied of de aanleg of onderhoud van publieke infrastructuur. Ingevolge het derde lid van deze bepaling vindt de verhoging, bedoeld in het eerste lid, niet plaats indien deze kleiner is dan 5% van het fosfaatrecht dat wordt vastgesteld uit hoofde van artikel 23, derde lid, van de wet. Verweerder acht deze bepaling van overeenkomstige toepassing bij het antwoord op de vraag of sprake is van een knelgeval in de zin van de Regeling.

4.2.

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant niet in aanmerking komt voor de toepassing van de knelgevallenregeling van artikel 72a, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit, reeds omdat niet wordt voldaan aan de in het derde lid van die bepaling genoemde 5% voorwaarde (zie de uitspraken van 26 november 2019, ECLI:NL:CBB:2019:615 en...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT