Uitspraak Nº 18/2223. College van Beroep voor het bedrijfsleven, 2019-12-17

Datum uitspraak:17 december 2019
Uitgevende instantie::College van Beroep voor het bedrijfsleven
 
GRATIS UITTREKSEL

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2223

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2019 in de zaak tussen

[naam 1] , handelend onder de naam [naam 1] , Handel en Loon-bedrijf, te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. M.J.J. de Winter),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. A.R. Alladin en mr. K.M.A. Snijders).

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel

23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellant vastgesteld.

Bij besluit van 27 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld door [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de productie van dierlijke meststoffen door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en krachtens de artikelen 4, 96 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde regels (I&R) is geregistreerd. Indien een landbouwer voor 1 april 2018 heeft gemeld en aangetoond dat hij op 2 juli 2015 melkvee had uitgeschaard, wordt ingevolge het vijfde lid van artikel 23 van de Msw juncto artikel 127a van de Uitvoeringsregeling Msw, het fosfaatrecht, bedoeld in het derde lid, verhoogd en wordt het fosfaatrecht van de landbouwer die dat melkvee op die datum had ingeschaard, met diens instemming verlaagd.

1.2

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2. Appellant voert sinds 1 april 1996 een eenmanszaak en is vanaf 1 januari 1997 tevens maat van de maatschap [naam 4] . [naam 2] is de vader van appellant. De maatschap staat bij de Kamer van Koophandel geregistreerd als houder van melkvee, de eenmanszaak staat geregistreerd als handel- en loonbedrijf met verschillende activiteiten, waaronder het opfokken van jongvee voor de melkveehouderij en het fokken en houden...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT