Uitspraak Nº 18/2760 ZW. Centrale Raad van Beroep, 2020-12-31

CourtCentrale Raad van Beroep (Nederland)
Docket Number18/2760 ZW
ECLIECLI:NL:CRVB:2020:3447
18 2760 ZW

Datum uitspraak: 31 december 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

10 april 2018, 17/4549 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.U.J. Hopman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN
1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als voorman gritstraler/verfspuiter voor 39,35 uur per week. Zijn dienstverband is op 12 juli 2015 geëindigd. Op 14 september 2015 heeft hij zich ziek gemeld met lichamelijke klachten. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft appellant bij besluit van 5 januari 2016 vanaf 14 december 2015 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 juni 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, vervolgens drie functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 77,85% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 2 september 2016 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 13 oktober 2016 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 3 februari 2017 ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 november 2016, een FML van diezelfde datum en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 17 januari 2017 ten grondslag.

1.3.

Appellant heeft zich op 13 februari 2017 opnieuw ziek gemeld met toegenomen klachten.

In verband met deze ziekmelding heeft appellant op 10 april 2017 het spreekuur van een Uwv-arts bezocht. Deze arts heeft appellant per 11 april 2017 geschikt geacht voor minstens één van de eerder bij de EZWb geselecteerde functies. Bij besluit van 10 april 2017 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant per 11 april 2017 beëindigd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 16 juni 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT