Uitspraak Nº 18-3373 AW. Centrale Raad van Beroep, 2019-01-31

Datum uitspraak:31 januari 2019
 
GRATIS UITTREKSEL
18 3373 AW

Datum uitspraak: 31 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 17 oktober 2013, 12/906 AW en 12/907 AW (uitspraak 1), en van de uitspraak van de Raad van 17 mei 2018, 17/6205 AW (uitspraak 2)

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

de Minister van Justitie en Veiligheid (minister)

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraken 1 en 2.

De minister heeft een reactie op het verzoek ingezonden.

Verzoekster heeft het verzoek nader aangevuld en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2019. Verzoekster is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M. Koene en P.C.A. van Breugel.

OVERWEGINGEN
1.1.

Verzoekster was sinds 2000 werkzaam bij de Penitentiaire Inrichting [naam PI]

te Vught, laatstelijk als medior penitentiair inrichtingswerker. Verzoekster is op 26 mei 2005 tijdens de verplichte dienstsport (basketballen) ongelukkig in aanraking gekomen met een collega en heeft daarbij letsel aan haar linkerknie opgelopen. De minister heeft dit ongeval aangemerkt als een dienstongeval.

1.2.

Bij besluit van 25 mei 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 december 2010,

heeft de minister geweigerd aansprakelijkheid te erkennen voor de schade die verzoekster heeft geleden ten gevolge van het onder 1.1 genoemde dienstongeval en de gevraagde schadevergoeding afgewezen.

1.3.

Bij besluit van 4 oktober 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

28 april 2011, heeft de minister verzoekster op grond van artikel 69, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) een bedrag van € 10.000,- (bruto) toegekend bij wijze van genoegdoening voor de eventueel uit haar re-integratietraject voortgevloeide schade. De minister heeft daaraan ten grondslag gelegd dat blijkens het rapport van de Nationale ombudsman van 7 september 2009 (nr. 2009/186) sprake is geweest van enkele tekortkomingen in het re-integratietraject. Voor het overige heeft de minister de door verzoekster gevraagde (schade)vergoeding afgewezen.

1.4.

Bij uitspraak van 5 januari 2012, 11/258 en 11/1829, ECLI:NL:RBSHE:2012:BV0949,

heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch (rechtbank) de beroepen tegen de besluiten van

16 december 2010 en van 28 april 2011 ongegrond verklaard.

1.5.1.

De Raad heeft bij uitspraak 1 de uitspraak van de rechtbank bevestigd voor zover deze betrekking heeft op het besluit van 16 december 2010. Voor zover de rechtbank het besluit van 28 april 2011 in stand heeft gelaten voor het deel dat ziet op de weigering om de buitengerechtelijke kosten te vergoeden heeft de Raad deze uitspraak vernietigd en het besluit van 28 april 2011 in zoverre vernietigd. De Raad heeft aan verzoekster een vergoeding ter zake van de buitengerechtelijke kosten toegekend ten bedrage van € 1.000,-, het besluit van

4 oktober 2010 in zoverre herroepen en bepaald dat de uitspraak van de Raad in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 28 april 2011.

1.5.2.

De Raad heeft wat het besluit van 16 december 2010 betreft (aansprakelijkheid dienstongeval) met de rechtbank geoordeeld dat de minister aan de op hem als werkgever rustende zorgplicht heeft voldaan. Niet in geschil is dat in dit geval geen sprake was van gebreken in het spelmateriaal of in de sportzaal die het ongeval zouden hebben kunnen veroorzaken. Verder is van betekenis dat de minister gebruik heeft gemaakt van de diensten van een gekwalificeerd sportinstructeur, terwijl niet is gebleken of...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT