Uitspraak Nº 18/3416 AOW e.v.. Centrale Raad van Beroep, 2019-08-28

Datum uitspraak:28 augustus 2019
 
GRATIS UITTREKSEL

18/3416 AOW e.v.

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2018, 17/2 e.a. (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[de besloten vennootschap 1] te Cyprus ( [de besloten vennootschap 1] ) en zeven van de twintig betrokkenen, zoals vermeld in de bij deze uitspraak behorende bijlage 1 (appellanten)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 28 augustus 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.J. van Dam, advocaat, bij de Raad 27 in bijlage 1 bij deze uitspraak nader aangeduide hoger beroepen ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Deze hoger beroepen zijn gevoegd. De Svb heeft verweerschriften ingediend.

Op 18 februari 2019 heeft een regiezitting plaatsgevonden. Appellanten hebben zich daar laten vertegenwoordigen door mr. Van Dam. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg en mr. A. van der Weerd.

Op 29 maart 2019 zijn de hoger beroepen ter zitting inhoudelijk behandeld. Appellanten hebben zich daar opnieuw laten vertegenwoordigen door mr. Van Dam. Appellant [appellant, tevens betrokkene 3] is bovendien in persoon verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door H. van der Most, mr. A. van der Weerd en mr. M.M.T. Wickenhagen.

Ter zitting heeft de Svb een verzoek ingediend tot wraking van twee leden van de zittingscombinatie. Dit verzoek is niet‑ontvankelijk verklaard bij uitspraak van 29 maart 2019, ECLI:NL:CRVB: 2019:1219. Vervolgens is het onderzoek op dezelfde dag voortgezet, waarbij de Svb zich uitsluitend nog heeft laten vertegenwoordigen door mr. Van der Weerd en mr. Wickenhagen.

OVERWEGINGEN

1. Totstandkoming van de bestreden besluiten

1.1. Vanaf eind 2010, begin 2011 heeft [de besloten vennootschap 1] de Svb verzocht om te bevestigen dat op betrokkenen de Cypriotische socialezekerheidswetgeving van toepassing is over de periodes waarin zij in loondienst van [de besloten vennootschap 1] in de binnenvaart werken. Daarbij is te kennen gegeven dat betrokkenen in Nederland wonen, dat zij hun werkzaamheden plegen te verrichten in twee of meer Rijnoeverstaten en dat zij minder dan 25% van hun werkzaamheden verrichten Nederland.

1.2. In vervolg op de onder 1.1 vermelde verzoeken heeft de Svb bij besluiten van augustus 2014 en juli 2015 op betrokkenen de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing verklaard over de periodes waarin zij bij [de besloten vennootschap 1] op de loonlijst stonden. Daarbij heeft de Svb aan een aantal betrokkenen een E101‑verklaring verstrekt. Aan andere betrokkenen heeft de Svb een A1‑verklaring verstrekt. In de door de Svb verstrekte E101- en A1‑verklaringen is vermeld dat betrokkenen werken in de Rijnoeverstaten en dat op hen de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is verklaard.

1.3. De Svb heeft de namens appellanten tegen de onder 1.2 vermelde besluiten gemaakte bezwaren bij besluiten van 23 november 2016, 24 november 2016 en 8 december 2016 (bestreden besluiten) ongegrond verklaard. Bij de bestreden besluiten is de Svb ervan uitgegaan dat alle betrokkenen mede hebben gewerkt in Zwitserland gedurende de periodes waarin zij op de loonlijst van [de besloten vennootschap 1] stonden. Gegeven het bepaalde in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71) in samenhang met artikel 90, eerste lid, aanhef en onder c, van Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004), heeft de Svb daarom tijdvakken vóór 1 april 2012 beoordeeld aan de hand van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (Trb. 1981, 43; Rijnvarendenverdrag). Tijdvakken vanaf 1 april 2012 zijn, op één geval na, beoordeeld aan de hand van artikel 13, eerste lid, van (Vo 883/2004), Verordening (EG) nr. 987/2009 (Vo 987/2009), en de Rijnvarendenovereenkomst (Stcrt. nr. 3397 van 25 februari 2011, als gerectificeerd in
Stcrt. nr. 3397 van 7 maart 2011). Bij de bestreden besluiten is afwijzend beslist op de verzoeken van appellanten om kosten te vergoeden die zij hebben gemaakt in verband met de behandeling van hun bezwaren.

2. Uitspraak van de rechtbank

2.1. Appellanten hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Deze beroepen zijn bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Voor zover het Rijnvarendenverdrag van toepassing is, heeft de Svb volgens de rechtbank terecht de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing verklaard, aangezien betrokkenen als Rijnvarenden hebben gewerkt aan de boord van schepen die – naar de rechtbank aanneemt – werden geëxploiteerd door in Nederland gevestigde ondernemingen. Voor zover Vo 883/2004 van toepassing is, heeft de Svb volgens de rechtbank op basis van de feitelijke situatie, beoordeeld aan de hand van reële aanknopingspunten, terecht vastgesteld dat op deze werknemers, ook als zij minder dan 25% van hun in aanmerking te nemen werkzaamheden in hun woonstaat Nederland verrichtten, de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is.

2.2. Op de grond dat zowel toepassing van het Rijnvarendenverdrag als toepassing van Vo 883/2004 in alle voorliggende gedingen leidt tot aanwijzing van de Nederlandse socialezekerheidswetgeving, is bij de aangevallen uitspraak uitdrukkelijk in het midden gelaten of betrokkenen tussen 30 april 2010 en 1 april 2012 al dan niet mede in Zwitserland hebben gewerkt. Een meer individuele beoordeling van de verzekeringsposities van betrokkenen heeft de rechtbank achterwege gelaten.

2.3. Met betrekking tot de in Vo 987/2009 opgenomen procedurevoorschriften heeft de rechtbank overwogen dat uit de gedingstukken blijkt dat de Svb de andere betrokken lidstaten ervan op de hoogte heeft gebracht dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op betrokkenen van toepassing is verklaard over de periodes waarin zij bij [de besloten vennootschap 1] op de loonlijst stonden, dat deze lidstaten dus de mogelijkheid hebben gehad om hierop te reageren, en dat zij van deze mogelijkheid geen gebruik hebben gemaakt.

2.4. De Svb is bij de aangevallen uitspraak veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, tot vergoeding van in de beroepsfase gemaakte proceskosten, en tot vergoeding van het door appellanten betaalde griffierecht.

3. Stellingname in hoger beroep

3.1. Stellingname in hoger beroep van appellanten

3.1.1. Appellanten hebben de Raad verzocht om de aangevallen uitspraak te vernietigen, behoudens de bepalingen inzake de vergoeding van het griffierecht. Verder hebben appellanten de Raad verzocht om de bestreden besluiten te vernietigen. Appellanten stellen zich in de eerste plaats op het standpunt dat de rechtbank bij de beoordeling van de bestreden besluiten ten onrechte een beoordeling per betrokkene achterwege heeft gelaten en ten onrechte niet is ingegaan op argumenten op het niveau van de individuele dossiers. Appellanten hebben beargumenteerd gesteld dat de Cypriotische socialezekerheidswetgeving op betrokkenen van toepassing is en dat de Svb ten onrechte E101- en A1‑verklaringen heeft afgegeven. Bij de aangevallen uitspraak zijn volgens appellanten te lage schadevergoedingen wegens overschrijding van de redelijke termijn en te lage proceskostenvergoedingen toegekend. De Raad is verzocht om hogere schade- en proceskostenvergoedingen toe te kennen.

3.2. Stellingname in hoger beroep van de Svb

3.2.1. Tijdens de procedures is gebleken dat het bevoegde Cypriotische orgaan met betrekking tot vier in de bijlage bij deze uitspraak vermelde betrokkenen eerder E101- dan wel A1‑verklaringen over (een gedeelte van) de periodes in geding heeft afgegeven dan de Svb. Ter zitting van de Raad heeft de Svb meegedeeld dat de Svb deze verklaringen alsnog zal respecteren. Daarbij is te kennen gegeven dat de Svb dit niet doet op grond van het Unierecht zoals dit is uitgelegd in onder meer het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) in de zaak A‑Rosa Flussschiff GmbH (C-620/15, ECLI:EU:C:2017:309), maar om louter pragmatische redenen en sans préjudice. In de zaken 1 tot en met 3 (als vermeld in bijlage 1 bij deze uitspraak) zal de Svb alsnog tegemoetkomen over de volledige periodes in geding, in de zaken 4 tot en met 7 over heel 2010, zijnde het gedeelte van de periodes in geding waarop de verklaringen van het bevoegde Cypriotische orgaan in die zaken betrekking hebben. De betrokken bestreden besluiten zijn in zoverre niet gehandhaafd.

3.2.2. Voor het overige heeft de Svb de bestreden besluiten wel gehandhaafd. De Svb heeft de Raad beargumenteerd verzocht om de aangevallen uitspraak, indien nodig op gewijzigde gronden, te bevestigen, voor zover de daarin opgenomen beoordeling ziet op de gehandhaafde (onderdelen van de) bestreden besluiten en op de totstandkoming daarvan. De Svb heeft ook een beargumenteerd standpunt ingenomen over de door appellanten in hoger beroep gevraagde schade- en proceskostenvergoedingen.

Oordeel van de Raad

De Raad oordeelt als volgt.

4. Niet gehandhaafde besluiten

4.1.

Voor zover de aangevallen uitspraak betrekking heeft op de door de Svb in hoger beroep niet gehandhaafde (onderdelen van de) bestreden besluiten, moet de aangevallen uitspraak reeds daarom worden vernietigd. Verder moeten de beroepen tegen de niet (volledig) gehandhaafde bestreden besluiten reeds om die reden alsnog gegrond worden verklaard en moeten de niet (volledig) gehandhaafde bestreden besluiten, voor zover niet gehandhaafd, reeds om die reden worden vernietigd.

5. Inrichting van deze uitspraak

5.1.

De Raad zal hierna in rubriek 6 (ruw) afbakenen waarover de geschillen tussen partijen met betrekking tot de gehandhaafde (onderdelen van de) bestreden besluiten gaan. In rubriek 7 en bijlage 2 bij deze uitspraak is een weergave opgenomen van voor de beoordeling...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT