Uitspraak Nº 18/6369 WIA. Centrale Raad van Beroep, 2020-12-31

CourtCentrale Raad van Beroep (Nederland)
Docket Number18/6369 WIA
ECLIECLI:NL:CRVB:2020:3452
18 6369 WIA

Datum uitspraak: 31 december 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 15 november 2018, 18/540 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Akdeniz, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een nadere reactie ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN
1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als chauffeur/schoonmaker voor 43,98 uur per week. Op 9 februari 2015 heeft appellant zich ziek gemeld met klachten na een ongeval. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft een verzekeringsarts een expertise laten verrichten. Op 15 maart 2017 is een neuropsychologisch rapport uitgebracht door psychiater en neuropsycholoog drs I. Visser en neuropsycholoog A. Hoogendoorn en een psychiatrisch rapport door psychiater drs. B. Bouten, allen werkzaam bij Psyon. Op 4 april 2017 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 april 2017. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 13 april 2017 heeft het Uwv appellant met ingang van 25 januari 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, omdat hij met ingang van die datum 68,26% arbeidsongeschikt is. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv bij besluit van 2 juni 2017 appellant met ingang van 25 augustus 2017 een WGA-vervolguitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 65 tot 80%. Appellant heeft tegen de besluiten van 13 april 2017 en 2 juni 2017 bezwaar gemaakt.

1.2.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellant heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep op basis van dossierstudie, het bijwonen van de hoorzitting en na kennisname van informatie vanuit de behandelend sector geconcludeerd dat de door de verzekeringsarts vastgestelde FML van 4 april 2017, geldig per 25 januari 2017 geen wijziging behoeft. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is tot de conclusie gekomen dat er per 25 augustus 2017 van een verminderde duurbelasting geen sprake meer is, afgezien van een beperking voor het werken in de nachtelijke uren. Voor het overige heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de door de verzekeringsarts per 25 januari 2017 vastgestelde beperkingen ongewijzigd overgenomen in een FML van 15 december 2017 geldig per 25 augustus 2017. De arbeidsdeskundige...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT