Uitspraak Nº 18/736 t/m 18/788 en 18/1431. College van Beroep voor het bedrijfsleven, 2019-10-15

Datum uitspraak:15 oktober 2019
Uitgevende instantie::College van Beroep voor het bedrijfsleven
 
GRATIS UITTREKSEL

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummers: 18/736, 18/737, 18/738, 18/739, 18/740, 18/741, 18/742, 18/743, 18/744, 18/745, 18/746, 18/747, 18/748, 18/749, 18/750, 18/751, 18/752, 18/753, 18/754, 18/755, 18/756, 18/757, 18/758, 18/759, 18/760, 18/761, 18/762, 18/763, 18/764, 18/765, 18/766, 18/767, 18/768, 18/769, 18/770, 18/771, 18/772, 18/773, 18/774, 18/775, 18/776, 18/777, 18/778, 18/779, 18/780, 18/781, 18/782, 18/783, 18/784, 18/785, 18/786, 18/787, 18/788, 18/1431.

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 oktober 2019 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] , te [plaats 1]

Maatschap [naam 2] , te [plaats 2] ,

Scharreleibedrijf [naam 3] B.V., te [plaats 3] ,

Maatschap [naam 4] , te [plaats 4] ,

V.O.F. [naam 5] , te [plaats 5] ,

Maatschap [naam 6] , te [plaats 6] ,

Maatschap [naam 7] en [naam 8] , te [plaats 7] ,

Maatschap [naam 9] , te [plaats 4] ,

[naam 10] , te [plaats 2] ,

V.O.F. [naam 11] , te [plaats 8] ,

[naam 12] , te [plaats 13] en [plaats 9] ,

[naam 13] , te [plaats 7] ,

Land & Pluimveebedrijf [naam 14] , te [plaats 10] ,

Maatschap [naam 15] , te [plaats 8] ,

V.O.F. [naam 16] , te [plaats 5] ,

[naam 17] , te [plaats 11] ,

Maatschap [naam 18] en [naam 19] , te [plaats 12] ,

Maatschap [naam 20] / Maatschap [naam 20] Scharreleieren, te [plaats 13] ,

Pluimveebedrijf [naam 21] , te [plaats 9] ,

V.O.F. Pluimveebedrijf [naam 22] , te [plaats 14] ,

Maatschap [naam 23] , te [plaats 15] ,

Maatschap [naam 24] , te [plaats 16] ,

Maatschap [naam 25] , te [plaats 13] ,

Maatschap [naam 26] , te [plaats 17] ,

[naam 27] , te [plaats 5] ,

V.O.F. [naam 28] , te [plaats 18] ,

[naam 29] , te [plaats 19] ,

Maatschap [naam 30] , te [plaats 7] ,

Maatschap [naam 31] , te [plaats 20] ,

[naam 32] Pluimvee & Eierhandel B.V., te [plaats 21] ,

Fruit- en Pluimveebedrijf [naam 33] , te [plaats 22] ,

Maatschap [naam 34] , te [plaats 13] ,

V.O.F. [naam 35] , te [plaats 23] ,

Pluimveebedrijf [naam 36] , te [plaats 13] ,

Biologisch [naam 37] en/of Gebr. [naam 38] , te [plaats 24] ,

V.O.F. [naam 39] , te [plaats 25] ,

V.O.F. [naam 40] en V.O.F. [naam 41] , te [plaats 2] ,

Boerderij [naam 42] en V.O.F. [naam 43] , te [plaats 24] ,

[naam 44] , te [plaats 26] ,

Maatschap [naam 45] , te [plaats 27] ,

[naam 46] , te [plaats 9] ,

Maatschap [naam 47] , te [plaats 28] ,

Maatschap [naam 48] , te [plaats 29] ,

Pluimveebedrijf [naam 49] , te [plaats 17] ,

Maatschap [naam 50] , te [plaats 30] ,

[naam 51] , te [plaats 31] ,

[naam 52] , te [plaats 32] ,

V.O.F. [naam 53] , te [plaats 33] ,

Maatschap [naam 54] , te [plaats 9] ,

Maatschap [naam 55] , te [plaats 9] ,

[naam 56] B.V., te [plaats 34] ,

Maatschap [naam 57] , te [plaats 13] ,

[naam 58] , te [plaats 7] ,

Maatschap [naam 59] , te [plaats 8] ,

appellanten,

(gemachtigden: mr. C.S.G. de Lange en m. T.J.J. Bodewes),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. B.M. Kleijs).

Inhoud

Samenvatting 3

Procesverloop 5

1. Inleiding 6

2. Feiten 7

3. Wettelijke grondslag van de primaire en bestreden besluiten 10

4. Omvang van het geding 14

4.1 Niet in beoordeling betrokken besluiten 14

4.2 Het aanmerken van eieren, vlees en mest als categorie I materiaal 15

4.3 Niet in beoordeling betrokken standpunten van verweerder 16

5. Procedurele beroepsgronden 16

5.1 Ondertekening van de primaire besluiten 16

6. Inhoudelijke beroepsgronden 17

6.1 Inleiding 17

6.2 Artikel 5.10, eerste lid, aanhef en onder c, Wet dieren 18

6.3 Artikel 5.12 Wet dieren 32

6.4 Artikel 5.10, eerste lid, aanhef en onder a, Wet dieren 40

6.5 Overkoepelende conclusie bevoegdheid verweerder 41

6.6 Voorbereiding maatregelen 41

6.7 Evenredigheid maatregelen 43

6.8 Overige beroepsgronden 48

7. Conclusie 50

8. Proceskosten 50

Beslissing 51

Bijlage 52

Verordeningen 52

Richtlijnen 62

Nationale regelgeving 63

Samenvatting

1. Het College is zich ervan bewust dat deze uitspraak lang en gedeeltelijk juridisch technisch van aard is en daardoor mogelijk moeilijk leesbaar is, zeker voor niet-juristen. Dit komt onder andere doordat het College verschillende (soorten) besluiten van verweerder moet beoordelen en ingewikkelde juridische onderwerpen aan de orde zijn. In dit hoofdstuk geeft het College vereenvoudigd en op hoofdlijnen een samenvatting van de uitspraak. Het College bespreekt kort de achtergrond van de zaken en vermeldt wat zijn oordeel is over de belangrijkste onderwerpen.

2. Fipronil is een stof waarmee bloedluis kan worden bestreden. Bloedluis zuigt het bloed uit kippen, wat kan leiden tot bloedarmoede, verminderde eiproductie en verhoogde vatbaarheid voor ziekten. In Nederland is fipronil niet toegestaan ter bestrijding van bloedluis in de pluimveesector. In het najaar van 2016 ontving de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) meldingen over het gebruik van fipronil in die sector. Uit onderzoek bleek dat het bedrijf Chickfriend hierbij was betrokken. Dit bedrijf gebruikte onder meer het middel

DEGA 16 met fipronil als bestanddeel voor de bestrijding van bloedluis in de stallen van pluimveehouders.

3. De administratie van Chickfriend is in 2017 in beslag genomen. Volgens de NVWA kwamen in deze administratie de pluimveebedrijven voor die hun stallen door Chickfriend hadden laten reinigen met DEGA 16 (lijst van afnemers). Bij zeven bedrijven zijn monsters genomen en daarin is fipronil aangetroffen. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder deze bedrijven een verbod opgelegd voor de afvoer van pluimvee, eieren en mest. Omdat verweerder vermoedde dat bij alle bedrijven die in de administratie voorkwamen fipronil was gebruikt, besloot verweerder uit voorzorg om ook deze bedrijven een zelfde verbod op te leggen. Dit verbod is een maatregel die ook wel ‘blokkade’ wordt genoemd. Verweerder blokkeerde ook uit voorzorg de bedrijven, die zelf bij de NVWA hadden gemeld dat Chickfriend hun stallen had gereinigd (zelfmelders). Na al deze besluiten nam verweerder later vervolgbesluiten, waarbij de blokkades geheel of gedeeltelijk werden gehandhaafd. Dit gebeurde nadat de NVWA op alle bedrijven monsters had genomen en daarin fipronil was aangetroffen.

4. Appellanten kregen deze besluiten ook. Zij hebben daartegen bezwaar gemaakt bij verweerder. Verweerder heeft deze bezwaren verworpen. Tegen deze besluiten op bezwaar hebben appellanten beroep ingesteld bij het College. In deze uitspraak beslist het College op deze beroepen.

5. Artikel 5.10, eerste lid, aanhef en onder a en onder c, en artikel 5.12 van de Wet dieren geven verweerder de mogelijkheid om een blokkadebesluit te nemen. Verweerder heeft deze wettelijke bepalingen toegepast. Dat mag alleen als aan de hierin gestelde voorwaarden is voldaan en verweerder in redelijkheid ervoor heeft kunnen kiezen om een blokkade op te leggen. Het College beoordeelt of dat het geval is.

6. Bij deze beoordeling onderscheidt het College twee groepen besluiten. Dit zijn groep A en groep B. Groep A zijn de besluiten waarbij bedrijven uit voorzorg zijn geblokkeerd; dus wegens het vermoeden dat zij fipronil hebben gebruikt omdat zij voorkwamen in de administratie van Chickfriend of omdat het zelfmelders betreft. Groep B zijn alle andere blokkadebesluiten en vervolgbesluiten, die zijn genomen na het nemen van monsters.

7. Het College verklaart de beroepen gegrond en de besluiten op bezwaar worden vernietigd. Hiervoor zijn twee redenen. De eerste reden heeft alleen betrekking op de besluiten uit groep A. Verweerder heeft de lijst met afnemers uit de administratie van Chickfriend niet overgelegd, hoewel het College dit verweerder heeft opgedragen. Hierdoor heeft verweerder zijn vermoeden dat de bedrijven van appellanten door Chickfriend zijn behandeld met

DEGA 16 onvoldoende onderbouwd en is sprake van een motiveringsgebrek. Het College laat wel de rechtsgevolgen van de besluiten op bezwaar in stand, onder meer omdat appellanten niet gemotiveerd hebben betwist dat Chickfriend één of meer stallen heeft behandeld met DEGA 16. De tweede reden heeft betrekking op de besluiten uit groep B. Verweerder heeft appellanten niet voorafgaand aan het nemen van deze besluiten gevraagd hun visie naar voren te brengen. Dit is in strijd met de Algemene wet bestuursrecht. Volgens appellanten was die visie van belang om aan verweerder duidelijk te maken welke stallen en bedrijfslocaties niet waren behandeld met fipronil. Omdat er al vrij snel was voorzien in een alternatieve weg om dit kenbaar te maken aan de NVWA laat het College ook op dit punt de rechtsgevolgen van de besluiten op bezwaar in stand.

8. Het College concludeert verder dat aan de voorwaarden voor de toepassing van de hiervoor in 5 genoemde wettelijke bepalingen is voldaan. Dit betekent dat verweerder bevoegd was om de blokkades op te leggen. Dit geldt zowel voor de besluiten uit groep A als voor die uit

groep B. In dit verband passeren een aantal geschilpunten de revue. Het College stipt er hier enkele aan. Verweerder heeft terecht gesteld dat fipronil een schadelijke stof is. Verweerder mocht zich wat betreft de besluiten uit groep A hierbij baseren op het voorlopig advies van het Bureau Risicobeoordeling & Onderzoek (BuRo) van de NVWA van 25 juli 2017. Volgens dit advies was sprake van een risico voor de volksgezondheid bij de consumptie van eieren die fipronil bevatten in concentraties die zijn aangetroffen in een aantal door de NVWA bemonsterde eieren. Wat betreft de besluiten uit groep B mocht verweerder uitgaan van het advies van BuRo van 11 augustus 2017, ook al is daarin het risico voor de volksgezondheid bij de consumptie van eieren als beduidend minder ernstig beoordeeld dan in het advies van 25 juli 2017. Verweerder heeft...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT