Uitspraak Nº 18/862 t/m 18/883. College van Beroep voor het bedrijfsleven, 2019-10-15

Datum uitspraak:15 oktober 2019
Uitgevende instantie::College van Beroep voor het bedrijfsleven
 
GRATIS UITTREKSEL

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummers: 18/862, 18/863, 18/864, 18/865, 18/866, 18/867, 18/868, 18/869, 18/870, 18/871, 18/872, 18/873, 18/874, 18/875, 18/876, 18/877, 18/878, 18/879, 18/880, 18/881, 18/882, 18/883.

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 oktober 2019 in de zaak tussen

V.O.F. Pluimveebedrijf [naam 1] , te [plaats 1] ,

V.O.F. [naam 2] , te [plaats 2] ,

[naam 3] Pluimvee B.V., te [plaats 3] ,

[naam 4] B.V., te [plaats 4] ,

Maatschap [naam 5] en [naam 6] , te [plaats 5] ,

V.O.F. [naam 7] , te [plaats 6] ,

V.O.F. [naam 8] , te [plaats 7] ,

Kuikenbroederij en pluimveebedrijf [naam 9] B.V., te [plaats 8] ,

Maatschap [naam 10] , te [plaats 2] ,

V.O.F. J.P. [naam 11] , te [plaats 9] ,

[naam 12] Agrarische Onderneming, te [plaats 9] ,

Maatschap [naam 13] en [naam 14] , te [plaats 10] ,

Maatschap [naam 15] , te [plaats 11] ,

[naam 16] , te [plaats 12] ,

[naam 17] B.V., te [plaats 13] ,

Maatschap [naam 18] , te [plaats 14] ,

V.O.F. [naam 19] , te [plaats 15] ,

V.O.F. [naam 20], te [plaats 17] ,

Maatschap [naam 21] , te [plaats 16] ,

[naam 22] tuinaanleg, te [plaats 6] ,

Maatschap [naam 23] , te [plaats 18] ,

V.O.F. [naam 24] , te [plaats 11] ,

appellanten,

(gemachtigde: mr. B. Nijman),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. B.M. Kleijs)

Inhoud

Samenvatting 2

Procesverloop 4

1. Inleiding 6

2. Feiten 6

3. Wettelijke grondslag van de primaire en bestreden besluiten 9

4. Omvang van het geding 14

4.1 Niet in beoordeling betrokken besluiten 14

4.2 Het aanmerken van eieren, vlees en mest als categorie I materiaal 14

4.3 Niet in beoordeling betrokken standpunten van verweerder 15

5. Procedurele beroepsgronden 16

5.1 Ondertekening van de primaire besluiten 16

6. Inhoudelijke beroepsgronden 16

6.1 Inleiding 16

6.2 Artikel 5.10, eerste lid, aanhef en onder c, Wet dieren 17

6.3 Artikel 5.12 Wet dieren 31

6.4 Artikel 5.10, eerste lid, aanhef en onder a, Wet dieren 39

6.5 Overkoepelende conclusie bevoegdheid verweerder 41

6.6 Voorbereiding maatregelen 41

6.7 Evenredigheid maatregelen 43

6.8 Overige beroepsgronden 48

7. Conclusie 49

8. Proceskosten 50

Beslissing 51

Bijlage 52

Verordeningen 52

Richtlijnen 62

Nationale regelgeving 63

Samenvatting

1. Het College is zich ervan bewust dat deze uitspraak lang en gedeeltelijk juridisch technisch van aard is en daardoor mogelijk moeilijk leesbaar is, zeker voor niet-juristen. Dit komt onder andere doordat het College verschillende (soorten) besluiten van verweerder moet beoordelen en ingewikkelde juridische onderwerpen aan de orde zijn. In dit hoofdstuk geeft het College vereenvoudigd en op hoofdlijnen een samenvatting van de uitspraak. Het College bespreekt kort de achtergrond van de zaken en vermeldt wat zijn oordeel is over de belangrijkste onderwerpen.

2. Fipronil is een stof waarmee bloedluis kan worden bestreden. Bloedluis zuigt het bloed uit kippen, wat kan leiden tot bloedarmoede, verminderde eiproductie en verhoogde vatbaarheid voor ziekten. In Nederland is fipronil niet toegestaan ter bestrijding van bloedluis in de pluimveesector. In het najaar van 2016 ontving de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) meldingen over het gebruik van fipronil in die sector. Uit onderzoek bleek dat het bedrijf Chickfriend hierbij was betrokken. Dit bedrijf gebruikte onder meer het middel

DEGA 16 met fipronil als bestanddeel voor de bestrijding van bloedluis in de stallen van pluimveehouders.

3. De administratie van Chickfriend is in 2017 in beslag genomen. Volgens de NVWA kwamen in deze administratie de pluimveebedrijven voor die hun stallen door Chickfriend hadden laten reinigen met DEGA 16 (lijst van afnemers). Bij zeven bedrijven zijn monsters genomen en daarin is fipronil aangetroffen. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder deze bedrijven een verbod opgelegd voor de afvoer van pluimvee, eieren en mest. Omdat verweerder vermoedde dat bij alle bedrijven die in de administratie voorkwamen fipronil was gebruikt, besloot verweerder uit voorzorg om ook deze bedrijven een zelfde verbod op te leggen. Dit verbod is een maatregel die ook wel ‘blokkade’ wordt genoemd. Verweerder blokkeerde ook uit voorzorg de bedrijven, die zelf bij de NVWA hadden gemeld dat Chickfriend hun stallen had gereinigd (zelfmelders). Na al deze besluiten nam verweerder later vervolgbesluiten, waarbij de blokkades geheel of gedeeltelijk werden gehandhaafd. Dit gebeurde nadat de NVWA op alle bedrijven monsters had genomen en daarin fipronil was aangetroffen.

4. Appellanten kregen deze besluiten ook. Zij hebben daartegen bezwaar gemaakt bij verweerder. Verweerder heeft deze bezwaren verworpen. Tegen deze besluiten op bezwaar hebben appellanten beroep ingesteld bij het College. In deze uitspraak beslist het College op deze beroepen.

5. Artikel 5.10, eerste lid, aanhef en onder a en onder c, en artikel 5.12 van de Wet dieren geven verweerder de mogelijkheid om een blokkadebesluit te nemen. Verweerder heeft deze wettelijke bepalingen toegepast. Dat mag alleen als aan de hierin gestelde voorwaarden is voldaan en verweerder in redelijkheid ervoor heeft kunnen kiezen om een blokkade op te leggen. Het College beoordeelt of dat het geval is.

6. Bij deze beoordeling onderscheidt het College twee groepen besluiten. Dit zijn groep A en groep B. Groep A zijn de besluiten waarbij bedrijven uit voorzorg zijn geblokkeerd; dus wegens het vermoeden dat zij fipronil hebben gebruikt omdat zij voorkwamen in de administratie van Chickfriend of omdat het zelfmelders betreft. Groep B zijn alle andere blokkadebesluiten en vervolgbesluiten, die zijn genomen na het nemen van monsters.

7. Het College verklaart de beroepen gegrond en de besluiten op bezwaar worden vernietigd. Hiervoor zijn twee redenen. De eerste reden heeft alleen betrekking op de besluiten uit groep A. Verweerder heeft de lijst met afnemers uit de administratie van Chickfriend niet overgelegd, hoewel het College dit verweerder heeft opgedragen. Hierdoor heeft verweerder zijn vermoeden dat de bedrijven van appellanten door Chickfriend zijn behandeld met

DEGA 16 onvoldoende onderbouwd en is sprake van een motiveringsgebrek. Het College laat wel de rechtsgevolgen van de besluiten op bezwaar in stand, onder meer omdat appellanten niet gemotiveerd hebben betwist dat Chickfriend één of meer stallen heeft behandeld met DEGA 16. De tweede reden heeft betrekking op de besluiten uit groep B. Verweerder heeft appellanten niet voorafgaand aan het nemen van deze besluiten gevraagd hun visie naar voren te brengen. Dit is in strijd met de Algemene wet bestuursrecht. Volgens appellanten was die visie van belang om aan verweerder duidelijk te maken welke stallen en bedrijfslocaties niet waren behandeld met fipronil. Omdat er al vrij snel was voorzien in een alternatieve weg om dit kenbaar te maken aan de NVWA laat het College ook op dit punt de rechtsgevolgen van de besluiten op bezwaar in stand.

8. Het College concludeert verder dat aan de voorwaarden voor de toepassing van de hiervoor in 5 genoemde wettelijke bepalingen is voldaan. Dit betekent dat verweerder bevoegd was om de blokkades op te leggen. Dit geldt zowel voor de besluiten uit groep A als voor die uit

groep B. In dit verband passeren een aantal geschilpunten de revue. Het College stipt er hier enkele aan. Verweerder heeft terecht gesteld dat fipronil een schadelijke stof is. Verweerder mocht zich wat betreft de besluiten uit groep A hierbij baseren op het voorlopig advies van het Bureau Risicobeoordeling & Onderzoek (BuRo) van de NVWA van 25 juli 2017. Volgens dit advies was sprake van een risico voor de volksgezondheid bij de consumptie van eieren die fipronil bevatten in concentraties die zijn aangetroffen in een aantal door de NVWA bemonsterde eieren. Wat betreft de besluiten uit groep B mocht verweerder uitgaan van het advies van BuRo van 11 augustus 2017, ook al is daarin het risico voor de volksgezondheid bij de consumptie van eieren als beduidend minder ernstig beoordeeld dan in het advies van 25 juli 2017. Verweerder heeft ook terecht gesteld dat appellanten vanwege het gebruik van fipronil Europese voorschriften hebben overtreden, omdat fipronil als bestanddeel van DEGA 16 of een daarmee vergelijkbaar middel een niet toegelaten biocide is.

9. Ten aanzien van de belangenafweging oordeelt het College dat verweerder in redelijkheid het belang van een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid zwaarder heeft kunnen laten wegen dan de belangen van appellanten. Dit geldt zowel voor de besluiten uit groep A als groep B.

10. Het College verwerpt de beroepsgrond van appellanten dat de besluiten onzorgvuldig zijn genomen.

11. Het College oordeelt dat de vermelding in een aantal besluiten dat verweerder dierlijke bijproducten zoals mest, afkomstig van de bedrijven van de betreffende appellanten, aanmerkt als categorie 1-materiaal in de zin van een Europese verordening, van informatieve aard is en daarom geen besluit is als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat het College de beroepsgronden van appellanten die betrekking hebben op deze mededeling, niet beoordeelt.

12. Het College verklaart het beroep van één van appelanten – naast de hiervoor in 7 genoemde redenen – nog om een derde reden gegrond. Verweerder heeft in strijd met de Wet dieren aangenomen dat aan deze appellante per 1 augustus 2017 rechtsgeldig mondeling een blokkade was opgelegd. Deze wet gaat ervan uit dat een blokkade alleen bij een op schrift gesteld besluit mogen worden opgelegd.

13. Tot slot veroordeelt het college verweerder in de proceskosten van appellanten.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten, genomen op verschillende data eind juli en...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT