Uitspraak Nº 19/1107 AOW. Centrale Raad van Beroep, 2020-10-22

CourtCentrale Raad van Beroep (Nederland)
Docket Number19/1107 AOW
ECLIECLI:NL:CRVB:2020:2609

19/1107 AOW e.v.

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 februari 2019, 18/2903 e.a. (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant 1] te Liechtenstein ( [appellant 1] ) en 36 van de 50 betrokkenen, zoals vermeld in de bij deze uitspraak behorende bijlage 1 (appellanten)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

twee betrokkenen die aan de gedingen hebben deelgenomen als derde-partij, zoals vermeld in de bij deze uitspraak behorende bijlage 1

Datum uitspraak: 22 oktober 2020

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.J. van Dam, advocaat, bij de Raad 87, in bijlage 1 bij deze uitspraak nader aangeduide, hoger beroepen ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Deze hoger beroepen zijn gevoegd. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Van de dertien betrokkenen die niet zelf beroep hebben doen instellen, hebben er twee gebruik gemaakt van de hun door de Raad geboden gelegenheid om op de voet van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) als derde-partij deel te nemen aan de gedingen die betrekking hebben op hun verzekeringspositie.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

In de zaken 1, 2, 78 en 90, als aangeduid in bijlage 1, heeft de Svb op 28 mei 2020 en 2 juni 2020 nadere besluiten genomen. In zaak 15 is het hoger beroep bij brief van 7 juni 2020 ingetrokken.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2020. Namens appellanten is mr. Van Dam verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg en mr. A. van der Weerd. Appellant [betrokkene 1] heeft ter zitting vragen beantwoord en inlichtingen verstrekt.

OVERWEGINGEN


1. De bestreden besluiten

1.1. [appellant 1] heeft de Svb bij brieven van 29 februari 2016 verzocht om te bevestigen dat op betrokkenen de socialezekerheidswetgeving van Liechtenstein van toepassing is over periodes waarin zij in loondienst van [appellant 1] in de binnenvaart werken. Daarbij is te kennen gegeven dat betrokkenen in Nederland wonen, dat zij hun werkzaamheden verrichten in twee of meer lidstaten van de Europese Unie (EU) en dat zij wel werkzaamheden verrichten in Nederland (10% of 15%) maar geen substantieel gedeelte.

1.2. Bij besluiten van 6 juni 2016 heeft de Svb op betrokkenen voorlopig de socialezekerheidswetgeving (wetgeving) van Nederland van toepassing verklaard over periodes waarin zij op de loonlijst van [appellant 1] staan. Daartoe is overwogen dat nog niet objectief kan worden vastgesteld dat betrokkenen geen substantieel gedeelte van hun werkzaamheden verrichten in Nederland. De Svb heeft de bevoegde organen van de andere landen waar betrokkenen volgens de opgave van [appellant 1] plegen te werken, en het bevoegde orgaan van Liechtenstein (Liechtensteinse orgaan), op de hoogte gebracht van de besluiten van 6 juni 2016. Verder heeft de Svb te kennen gegeven dat hij aan betrokkenen A1‑verklaringen inzake hun onderworpenheid aan de Nederlandse wetgeving zal verstrekken als deze organen geen bezwaar maken tegen de toepassing van de Nederlandse wetgeving op betrokkenen.

1.3. Appellanten hebben tegen de onder 1.2 vermelde besluiten bezwaar gemaakt. Deze bezwaren heeft de Svb bij besluiten van 9 maart 2018, 16 maart 2018, 9 april 2018 en 10 april 2018 (bestreden besluiten) ongegrond verklaard op grond van de voorlopige conclusie dat betrokkenen zijn onderworpen aan de Nederlandse wetgeving. Ten aanzien van 45 van de 50 betrokkenen is overwogen dat appellanten (zowel [appellant 1] als betrokkenen zelf) tekort zijn geschoten bij het verstrekken van informatie aan de hand waarvan objectief kan worden vastgesteld welk gedeelte van de werkzaamheden deze betrokkenen in Nederland plegen te verrichten. De Svb heeft herhaaldelijk maar tevergeefs aan appellanten gevraagd om kopieën van vaartijdenboeken van alle schepen waarop betrokkenen hebben gewerkt. In de overige gevallen (de zaken waarin is gewerkt op de [naam schip 1] en de [naam schip 2] ) heeft de Svb op basis van wel verstrekte kopieën van vaartijdenboeken aannemelijk geacht dat betrokkenen een substantieel gedeelte van hun werkzaamheden in Nederland verrichten. De Svb heeft bij de bestreden besluiten in aanmerking genomen dat betrokkenen allen werkzaam zijn op binnenvaartschepen met een in Nederland gevestigde eigenaar en exploitant. Bij de bestreden besluiten is afwijzend beslist op de verzoeken van appellanten om kosten te vergoeden die zij hebben gemaakt in verband met de behandeling van hun bezwaren. De Svb heeft bij de bestreden besluiten aan betrokkenen A1‑verklaringen verstrekt waarin is vermeld dat betrokkenen werken in de Rijnoeverstaten Duitsland, Frankrijk, België en Nederland en dat op hen de Nederlandse wetgeving van toepassing is over, voor zover in deze gedingen nu nog van belang, de in bijlage 1 bij deze uitspraak nader aangeduide periodes. De Svb heeft ook de in 1.2 genoemde bevoegde buitenlandse organen op de hoogte gebracht van de bestreden besluiten en de tegelijkertijd aan betrokkenen verstrekte A1‑verklaringen.

2. Meningsverschil tussen de Svb en het voor Liechtenstein en het voor Frankrijk bevoegde orgaan

2.1. Naar aanleiding van de onder 1.2 genoemde besluiten heeft het voor Liechtenstein bevoegde orgaan de Svb laten weten dat Liechtenstein niet instemt met de afgifte van A1‑verklaringen inzake onderworpenheid aan de Nederlandse wetgeving aan betrokkenen. Daarbij heeft het Liechtensteinse orgaan verwezen naar artikel 16, vierde lid, van de Toepassingsverordening1 (vaststelling van de toepasselijke wetgeving in onderling overleg) en naar artikel 6, eerste lid, aanhef en sub c, van de Toepassingsverordening (voorlopige toepassing van de wetgeving van de lidstaat waar het eerst om toepassing van de wetgeving is verzocht). Verder heeft het Liechtensteinse orgaan te kennen gegeven dat op basis van onderzoek in Liechtenstein is vastgesteld dat het in 2012 opgerichte [appellant 1] voor de toepassing van de Basisverordening2 en de Toepassingsverordening is aan te merken als de werkgever van betrokkenen, dat niet is gebleken dat betrokkenen meer dan 25% plegen te werken in Nederland, en dat Liechtenstein – tussen 2012 en 2016 – aan veel betrokkenen A1‑verklaringen heeft verstrekt waarin is vermeld dat op hen over periodes waarin zij op de loonlijst van [appellant 1] stonden de Liechtensteinse wetgeving van toepassing is.

2.2. In reactie op de onder 2.1 genoemde brieven heeft de Svb het Liechtensteinse orgaan herinnerd aan artikel 6, eerste lid, aanhef en sub b, van de Toepassingsverordening (voorlopige toepassing van de wetgeving van de woonstaat). Verder heeft de Svb het Liechtensteinse orgaan gevraagd om nadere informatie over, onder meer, de door dat orgaan voor betrokkenen verstrekte A1-verklaringen en de bij dat orgaan bekende gegevens over de omvang van het gedeelte van de werkzaamheden van betrokkenen in Nederland.

2.3. Met betrekking tot de bij de bestreden besluiten door de Svb verstrekte A1-verklaringen is het Liechtensteinse orgaan een dialoog- en bemiddelingsprocedure gestart als omschreven in het Besluit van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels nummer A1 van 12 juni 2009, PbEU 2010, C-106/1 (Besluit nr. A1). Deze procedure is vervolgens opgeschort op grond van artikel 4 van Besluit nr. A1, omdat de zaak voorwerp is geworden van een gerechtelijke beroepsprocedure.

2.4. Naar aanleiding van de onder 1.2 genoemde besluiten heeft het voor Frankrijk bevoegde orgaan de Svb laten weten dat Frankrijk niet zonder meer instemt met de afgifte van A1‑verklaringen inzake onderworpenheid aan de Nederlandse wetgeving aan betrokkenen, en is verzocht om aanvullende informatie. Na correspondentie tussen het voor Frankrijk bevoegde orgaan en de Svb heeft Frankrijk, na op de hoogte te zijn gebracht van de bestreden besluiten en de tegelijkertijd aan de betrokkenen verstrekte A1‑verklaringen, geen bezwaar gemaakt tegen de voorlopige vaststellingen van de Svb.

3. Uitspraak van de rechtbank

3.1. Appellanten hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Deze beroepen zijn bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank verwezen naar de uitspraak van de Raad van 29 december 20173. De Svb is bij de aangevallen uitspraak veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, tot vergoeding van in de beroepsfase gemaakte proceskosten, en tot vergoeding van het door appellanten betaalde griffierecht.
4. Beëindiging van de door Liechtenstein gestarte dialoog- en bemiddelingsprocedure; afgifte A1-verklaringen door Liechtenstein

4.1. Bij brief van 19 december 2019 heeft het Liechtensteinse orgaan aan de Svb meegedeeld dat onderzoek bij [appellant 1] geen nadere informatie heeft opgeleverd aan de hand waarvan de percentuele omvang kan worden vastgesteld van de werkzaamheden van betrokkenen in Nederland. De onder 2.3 genoemde dialoog- en bemiddelingsprocedure is om die reden beëindigd. Appellanten lijken hierin te hebben berust. Wel zijn, blijkens het verhandelde ter zitting, bij het Liechtensteinse orgaan verzoeken ingediend om de verzekeringspositie van betrokkenen met toepassing van artikel 16, eerste lid, van de Basisverordening te regulariseren, opdat uiteindelijk hoe dan ook toch alleen de socialezekerheidswetgeving van Liechtenstein op betrokkenen van toepassing wordt geacht over de periodes waarin zij bij [appellant 1] op de loonlijst hebben gestaan. Verder heeft het Liechtensteinse orgaan eind 2018 een aantal A1-verklaringen verstrekt waarin is vermeld dat op de betrokkenen die per 1 september 2018 nog op de loonlijst van [appellant 1] stonden, vanaf die datum de Liechtensteinse wetgeving van toepassing is.

5. Hoger beroep


5.1. In de zaken 1, 2, 78 en 90 als aangeduid in bijlage 1, heeft de Svb de bestreden besluiten...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT