Uitspraak Nº 19-1831 en 19-1267. Rechtbank Gelderland, 2020-04-30

Datum uitspraak:30 april 2020
Uitgevende instantie::Rechtbank Gelderland
 
GRATIS UITTREKSEL
RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 19/1831 en 19/1267

uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaken tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. I.E. Nauta),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lingewaard, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2018 (het primaire besluit I) heeft verweerder geweigerd om aan eiser een omgevingsvergunning te verlenen.

Bij besluit van 3 oktober 2018 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan eiser een last onder dwangsom opgelegd.

Bij besluit van 29 januari 2019 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit I ongegrond verklaard.

Bij besluit van 12 maart 2019 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit II ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten I en II beroepen ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2020. Eiser is verschenen, vergezeld door zijn gemachtigde en adviseur [adviseur] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden T.J.E. Lodders en E.P.H. Weijde.

Overwegingen

1. De relevante bestemmingsplanregels en de relevante bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), het Besluit omgevingsrecht (Bor), de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Dienstenrichtlijn zijn opgenomen in de bijlage bij de uitspraak.

2. Eiser exploiteert een glastuinbedrijf op het perceel [locatie] in [woonplaats] . De kassen gebruikt eiser voor het telen van groenten, waterlinzen en vezels en voor het stallen van caravans. De percelen van eiser hebben een omvang van 4 hectare, waarvan ongeveer 1,8 hectare is bebouwd met kassen. Ongeveer de helft van de kassen is in gebruik als stalling voor caravans.

In 2011 heeft verweerder vastgesteld dat de kassen gedeeltelijk werden gebruikt in strijd met het destijds geldende bestemmingsplan, waarna eiser op 4 juni 2012 heeft verzocht om een gedoogbeschikking. Op 14 oktober 2013 heeft verweerder deze verleend voor een periode van twee jaar. De overige daaraan verbonden voorwaarden waren:

  • -

    dat uiterlijk 31 december 2014 een aanvraag moest zijn ingediend ten behoeve van het realiseren van tenminste 6000 vierkante meter aan glasopstanden;

  • -

    dat uiterlijk 1 juli 2015 moest zijn gestart met de bouw van deze glasopstanden;

  • -

    dat uiterlijk 1 april 2016 de bouw gereed moest zijn en dat op 1 juli 2017 de caravanstalling voor de helft was beëindigd;

  • -

    dat op 1 juli 2018 de volledige stalling moest zijn verwijderd.

Op 31 oktober 2013 is het bestemmingsplan “Buitengebied Lingewaard” vastgesteld. Aangezien de gemeenteraad hierin geen medewerking heeft willen verlenen aan het (tijdelijk) toestaan van de stalling van caravans in (een deel van) de glasopstanden, heeft eiser beroep ingesteld tegen het bestemmingsplan. Dit beroep is ongegrond verklaard door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)1 en het bestemmingsplan is (deels) onherroepelijk geworden.

Op 30 juni 2015 heeft verweerder opnieuw een gedoogbeschikking verleend waaraan dezelfde voorwaarden zijn verbonden als aan de eerste gedoogbeschikking. In beide gedoogbeschikkingen is de bepaling opgenomen dat handhavend zal worden opgetreden indien de stalling niet volledig zou zijn beëindigd.

Eiser heeft de glasopstanden gerealiseerd. De caravanstalling is niet beëindigd.

3. Op 7 mei 2018 heeft eiser een (tijdelijke) omgevingsvergunning aangevraagd om voor een periode van vijf jaar de glasopstanden te mogen gebruiken in afwijking van artikel 3.1.2, onder d, van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied Lingewaard”. Dit artikel bepaalt dat opslag (als nevenactiviteit) niet mag plaatsvinden in kassen. Op het perceel rust de bestemming "Agrarisch-Glastuinbouw".

Verweerder heeft bij het primaire besluit I geweigerd om de omgevingsvergunning te verlenen. Bij het bestreden besluit I (van 29 januari 2019) is dit besluit in stand gelaten. Volgens verweerder past een caravanstalling niet in een herontwikkelingsgebied waar wordt ingezet op de intensivering van glastuinbouw. Het financieel belang van eiser bij een caravanstalling is volgens verweerder hieraan ondergeschikt. De voorgestane herstructurering en intensivering van de glastuinbouw wordt door de caravanstalling in de kassen gefrustreerd. Verder wil verweerder ongewenste precedenten voorkomen.

4. Om het planologisch strijdig gebruik van eiser tegen te gaan heeft verweerder een voornemen tot handhavend optreden verzonden. In de zienswijze heeft eiser aangegeven dat hij het klantenbestand in het voorjaar van 2019 met nog eens 25% zou laten krimpen en dat per 1 juli 2019 de stalling volledig zou zijn beëindigd. Op 3 oktober 2018 heeft verweerder een last onder dwangsom opgelegd waarin eiser is gelast om de kampeermiddelen voor
1 april 2019 uit de kassen te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 30.000,- ineens. Bij het bestreden besluit II heeft verweerder conform het advies van de bezwaarschriftencommissie de begunstigingstermijn verruimd naar 1 juli 2019.


De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft een voorlopige voorziening getroffen en het bestreden besluit II geschorst tot zes weken na de uitspraak op de onderhavige beroepen2.

De voorzieningenrechter zag in de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling in een tweetal gelijksoortige zaken3, aanknopingspunten voor het oordeel dat de overwegingen van de Afdeling ook op dit geschil van toepassing waren. De Afdeling had namelijk overwogen dat in die twee zaken in het verleden een duidelijke link is gelegd tussen niet handhavend optreden en hoopgevende ontwikkelingen voor een doorstart, en dat verweerder daarbij niet duidelijk had gemaakt waarom er ondanks de nieuwe ontwikkelingen nu handhavend moest worden opgetreden.

De Afdeling heeft op 29 mei 2019 de handhavingsbesluiten in deze twee gelijksoortige zaken vernietigd en, kort samengevat, geoordeeld dat verweerder ten onrechte niet is ingegaan op het betoog over de evenredigheid van het handhavend optreden4.

5. De rechtbank zal eerst beoordelen of verweerder terecht de omgevingsvergunning heeft geweigerd. Het antwoord op deze vraag is immers bepalend voor het antwoord op de vraag of verweerder de last onder dwangsom heeft mogen opleggen.

Weigering omgevingsvergunning

6. Eiser heeft ter zitting medegedeeld dat hij zich nog steeds op het standpunt stelt dat verweerder onbevoegd is om te beslissen op de aanvraag, zoals in bezwaar ook door hem betoogd. Volgens eiser is er een verklaring van geen bedenkingen nodig van de raad.

6.1

Een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad is op basis van artikel 6.5 van het Bor slechts nodig indien toepassing wordt gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, onderdeel 3˚, van de Wabo. Dat is hier niet aan de orde aangezien hier toepassing kon worden gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, onderdeel 2˚, van de Wabo. Het gebruik van het perceel voor het tijdelijk stallen van caravans valt namelijk onder de reikwijdte van de afwijkingsbevoegdheid van artikel 4, onderdeel 11 van Bijlage II bij het Bor. Eiser heeft zijn betoog in beroep niet nader onderbouwd. Het betoog van eiser slaagt daarom niet.

7. Eiser betoogt dat voor het stallen van caravans geen vergunningplicht geldt omdat artikel 3.1.2, onder d, van de planregels onverbindend is. Deze bepaling is innerlijk tegenstrijdig met andere regels van artikelen 3.1.1 en 3.1.2 van het bestemmingsplan en de bepaling maakt een – niet door een goede ruimtelijke ordening te rechtvaardigen – onderscheid tussen de opslag in kassen en de opslag in andere opstallen, zoals voormalige agrarische schuren. Dit onderscheid is evident niet in het belang van een goede ruimtelijke ordening en daarom in strijd met artikel 3.1 van de Wro. Verder is deze bepaling in strijd met artikel 15, derde lid, van de Dienstenrichtlijn omdat hierdoor de uitoefening van de dienst van het stallen van caravans in kassen ontoelaatbaar wordt beperkt, aldus eiser.

7.1

De rechtbank stelt voorop dat tegen de vaststelling van het bestemmingsplan een rechtsmiddel heeft open gestaan, waarvan eiser ook gebruik heeft gemaakt. De Afdeling heeft echter eisers betoog dat het bestaande (tijdelijke) gebruik van een deel van zijn kassen voor de stalling van caravans bijdraagt aan de herstructurering van het glastuinbouwgebied en niet in strijd is met het gemeentelijk of provinciaal beleid niet gevolgd5. Verder blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling6 dat de mogelijkheid om in een procedure als de onderhavige de gelding van de toepasselijke bestemmingsplanregeling aan de orde te stellen niet zover strekt dat deze regeling aan dezelfde toetsingsmaatstaf wordt onderworpen als de maatstaf die wordt gehanteerd in het kader van de beoordeling van beroepen tegen een vastgesteld bestemmingsplan. In dit geval kan een bestemmingsplanregeling derhalve slechts onverbindend worden geacht of buiten toepassing worden gelaten, indien de bestemmingsregeling evident in strijd is met een hogere regeling, waarbij onder meer is vereist dat de hogere regelgeving zodanig concreet is dat deze zich voor toetsing daaraan bij wijze van exceptie leent.

7.2

Eiser wordt niet gevolgd in zijn stelling dat artikel 3.1.2, onder d, van de planregels innerlijk tegenstijdig is met andere regels die zijn opgenomen in artikelen 3.1.1 en 3.1.2 van het bestemmingsplan. Op grond van artikel 3.1.1, aanhef en onder d, zijn op eisers perceel nevenactiviteiten toegestaan. In artikel 3.1.2 zijn aanvullende regels opgenomen. Dat deze regels de toegestane nevenactiviteiten in bepaalde mate...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT