Uitspraak Nº 19/435 WIA. Centrale Raad van Beroep, 2020-12-31

CourtCentrale Raad van Beroep (Nederland)
Docket Number19/435 WIA
ECLIECLI:NL:CRVB:2020:3486
19 435 WIA

Datum uitspraak: 31 december 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

21 december 2018, 17/4973 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.H. ten Have, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2020. Namens appellante zijn

verschenen haar dochters [dochter 1] en [dochter 2], bijgestaan door mr. Ten Have, die respectievelijk door middel van een telefonische verbinding en videobellen hebben deelgenomen aan de zitting. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R. Anandbahadoer, die door middel van videobellen heeft deelgenomen aan de zitting.

OVERWEGINGEN
1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als begeleidster van verstandelijk gehandicapten voor 35,86 uur per week. Op 9 mei 2008 heeft zij zich ziek gemeld met psychische klachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd, heeft het Uwv aan appellante met ingang van 7 mei 2010 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv appellante met ingang van 7 februari 2013 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%.

1.2.

Naar aanleiding van een herbeoordeling op verzoek van werkgeefster heeft het Uwv bij besluit van 18 september 2013 appellante met ingang van 1 oktober 2015 een WGA-vervolguitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op

35 tot 80%. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend. Dit besluit staat in rechte vast.

1.3.

Bij brief van 22 september 2015 en middels een wijzigingsformulier van 25 oktober 2015 heeft appellante verzocht om een herbeoordeling. Daarbij heeft zij zich op het standpunt gesteld dat zij per 1 september 2013 toegenomen arbeidsongeschikt is.

1.4.

In verband met deze herbeoordeling heeft appellante het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante belastbaar is conform de eerder opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 26 augustus 2013, geldig per 31 juli 2013. Het Uwv heeft bij besluit van 12 januari 2017 bepaald dat de WIA-uitkering van appellante ongewijzigd blijft. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 25 juli 2017 (bestreden besluit) gegrond verklaard. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 74,37%. Hierdoor verandert de hoogte van de WGA-vervolguitkering niet. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 29 juni 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 12 juli 2017 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien om aanvullende beperkingen op...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT