Uitspraak Nº 20-004247-13. Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2018-11-19

Datum uitspraak:19 november 2018
Uitgevende instantie::Gerechtshof 's-Hertogenbosch
 
GRATIS UITTREKSEL

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-004247-13

Uitspraak : 19 november 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Oost-Brabant van 23 december 2013 in de strafzaak met parketnummer 01-997015-10 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, opnieuw rechtdoende het onder 1, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 6 maanden met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het onder de verdachte in beslag genomen vuurwerk zal worden onttrokken aan het verkeer.

Van de zijde van de verdachte is:

 de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit;

 partiële vrijspraak van het onder 1 en 2 ten laste gelegde bepleit;

 vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde bepleit;

 geen verweer gevoerd tegen de bewezenverklaring van het onder 4 primair ten laste gelegde;

 een straftoemetingsverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – ten laste gelegd dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 3 juli 2010, te Veldhoven, Helmond, Bingelrade en/of Heerlen, althans in Nederland en/of te Luik en/of Diepenbeek , althans in België, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk, consumentenvuurwerk, waaronder een of meer soorten mortieren variërend van 3 tot 12 inch, een of meer soorten lawinepijlen en/of signaalraketten, een of meer soorten flowerbeds, een of meer soorten Cobra's en een of meer soorten vlinders, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, heeft opgeslagen, voorhanden heeft gehad en/of aan een ander ter beschikking heeft gesteld ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de ter uitwerking van voornoemd besluit krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer gestelde regels, aangezien

- die mortieren herlaadbaar vuurwerk waren en/of

- de lading van een of meer van die Cobra's, vlinders en/of lawinepijlen en/of signaalraketten niet uitsluitend bestond uit zwart buskruit tot een gewicht van ten hoogste 2,5 gram en/of

- de effectlading van een of meer van die lawinepijlen en/of signaalraketten niet uitsluitend bestond uit zwart buskruit tot een gewicht van ten hoogste 2 gram en/of

- een of meer van die flowerbeds een totaalgewicht had(den) van meer dan 10 kilogram;

2.
hij in of omstreeks de periode van 4 juli 2010 tot en met 30 november 2010, te Veldhoven, Helmond, Bingelrade en/of Heerlen, althans in Nederland en/of te Luik en/of Diepenbeek , althans in België, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk, professioneel vuurwerk, waaronder een of meer soorten mortieren variërend van 3 tot 12 inch, een of meer soorten lawinepijlen en/of signaalraketten, een of meer soorten flowerbeds, een of meer soorten Cobra's en/of een of meer soorten vlinders, dat bestemd was voor particulier gebruik, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, heeft opgeslagen, voorhanden heeft gehad en/of aan een ander ter beschikking heeft gesteld;

3.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 november 2010 te Veldhoven, Helmond, Bingelrade en/of Heerlen, althans in Nederland en/of te Luik en/of Diepenbeek , althans in België, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van twee of meer personen bestaande tenminste uit hem, verdachte, en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het binnen het grondgebied van Nederland brengen, opslaan, voorhanden hebben en/of aan een ander ter beschikking stellen van (zeer) zwaar (professioneel) vuurwerk, dat bestemd was voor particulier gebruik en/of vuurwerk dat niet voldeed aan het bepaalde bij of krachtens het Vuurwerkbesluit en/of witwassen;

4.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 30 november 2010, te Veldhoven, Helmond, Bingelrade en/of Heerlen, althans in Nederland en/of te Luik en/of Diepenbeek , althans in België, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte en/of een of meer van voornoemde ander(en) (een) voorwerp(en), te weten (een) hoeveelhe(i)d(en) vuurwerk, verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 30 november 2010, te Veldhoven, Helmond, Bingelrade en/of Heerlen, althans in Nederland en/of te Luik en/of Diepenbeek , althans in België, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (een) voorwerp(en), te weten (een) hoeveelhe(i)d(en) vuurwerk, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf;

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Van de zijde van verdachte is het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard. In deze zaak is sprake van excessief tijdsverloop, als gevolg waarvan de verdediging getuigen die van belang zijn voor de beoordeling van de aan de verdachte verweten gedragingen niet adequaat heeft kunnen horen. Na een dergelijk tijdsverloop konden de getuigen zich weinig tot niets herinneren. Door de overschrijding van de redelijke termijn is de verdachte concreet in zijn verdedigingsbelangen geschaad en wel zodanig dat de beginselen van een behoorlijk procesorde ernstig zijn geschonden, waardoor van een fair trial als bedoeld in artikel 6 EVRM geen sprake meer is.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkómen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen hem een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf 1 december 2010, de datum waarop de verdachte in verzekering werd gesteld.

Naar het oordeel van het hof is het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn hier geschonden. Bij dit oordeel heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak, de vraag of verdachte al dan niet preventief is gedetineerd en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld. Uit bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad der Nederlanden (vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578) volgt echter dat overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.

De verdediging heeft het verweer tevens in de sleutel van het door artikel 6, derde lid aanhef en onder d, van het EVRM gewaarborgde ondervragingsrecht van de verdediging geplaatst. Daartoe is aangevoerd dat meerdere getuigen ter gelegenheid van hun ondervraging door de verdediging hebben verklaard zich door het lange tijdsverloop niets of weinig relevants te herinneren betreffende de aan de verdachte ten laste gelegde feiten, terwijl dat tijdsverloop het gevolg is van aan de justitiële autoriteiten toe te rekenen omstandigheden.

Op grond van eerdergenoemd artikel heeft de verdediging het recht op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding daadwerkelijk te (doen) ondervragen. Of in het concrete geval zo een ondervragingsmogelijkheid bestaat, is mede afhankelijk van de omstandigheden waaronder en de wijze waarop de ondervraging van de getuige plaatsvindt. In het algemeen geldt dat de verdediging een zodanige mogelijkheid tot het (doen) stellen van vragen aan de getuige moet worden geboden dat zij daarmee in staat is de oprechtheid en...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT