Uitspraak Nº 200.135.173/01. Gerechtshof Den Haag, 2016-06-07

Datum uitspraak: 7 juni 2016
Uitgevende instantie::Gerechtshof Den Haag
 
GRATIS UITTREKSEL
GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel Recht

Zaaknummer : 200.135.173/01

Rolnummer Rechtbank : 1354425 \ CV EXPL 12-29612 en 1361348 \ CV EXPL 12-33766

Arrest van 7 juni 2016

inzake

1. [appellant 1] ,

wonende te [woonplaats],

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats],

3. [appellant 3],

wonende te [woonplaats],

4. [appellant 4],

wonende te [woonplaats],

5. [appellant 5],

wonende te [woonplaats],

6. [appellant 6],

wonende te [woonplaats],

7. [appellant 7],

wonende te [woonplaats],

8. [appellant 8],

wonende te [woonplaats],

eisers in het incident ex artikel 843a Rv,

appellanten in de hoofdzaak,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten c.s.],

advocaat: mr. C.P. van den Eijden te Tilburg,

tegen

Transcore Rotterdam B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster in het incident ex artikel 843a Rv,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

hierna te noemen: Transcore,

advocaat: mr. R.E.N. Ploum te Rotterdam.

Het geding

In deze zaak is op 25 november 2014 een tussenarrest gewezen in het incident ex artikel 843a Rv, waarin de beslissing in het incident is aangehouden totdat in de hoofdzaak is beslist. Voor het verloop van de procedure tot dan toe wordt verwezen naar voormeld arrest. Partijen hebben vervolgens hun standpunten in de hoofdzaak schriftelijk bepleit, elk onder overlegging van producties. Beide partijen hebben tot slot opnieuw arrest gevraagd, onder overlegging van het kopie-procesdossier.

Beoordeling van het hoger beroep, zowel in de hoofdzaak als in het incident

1. Het hof gaat uit van de vorderingen van [appellanten c.s.] zoals deze in hoger beroep zijn aangevuld en gewijzigd, en zoals omschreven in het petitum op pagina 103 tot en met 122 van de memorie van grieven, aangevuld met de vorderingen als vermeld in nr. 131 van de memorie van grieven die, kennelijk per abuis, niet zijn herhaald in het petitum. Het hof zal in dit arrest de grieven en de bijbehorende vorderingen per onderwerp bespreken. Afhankelijk van de beoordeling daarvan zal waar nodig tevens de incidentele vordering van [appellanten c.s.] aan de orde komen tot afgifte van een aantal – per appellant en per tijdseenheid – nader gespecificeerde loonstroken. Bij gebreke van een nummering van de grieven zal het hof de grieven aanduiden conform de in de memorie van antwoord aangehouden nummering.

2. Het gaat in deze procedure, kort en zakelijk samengevat, om het volgende. Transcore is een uitzendbureau voor havenwerkers. [appellanten c.s.] zijn tussen 13 februari 1998 en 22 september 2004 in dienst getreden bij Transcore. In hun uitzendovereenkomsten is vermeld dat zij bij de opdrachtgever werkzaamheden zullen verrichten in de functie van: [functie 1] (I) ([appellant 2]) dan wel: [functie 2] (de overige appellanten), met een arbeidsduur van minimaal 20 en maximaal 28 uur per week ([appellant 7]) dan wel minimaal 31 en maximaal 38,75 uur per week (de overige appellanten). [appellanten c.s.] worden vrijwel altijd uitgeleend aan Matrans Marine Services B.V. (hierna: Matrans). In de onderhavige procedure maken [appellanten c.s.] met ingang van 1 januari 2007 aanspraak op – kort gezegd en voor zover in hoger beroep relevant – dezelfde arbeidsvoorwaarden als de werknemers van Matrans (de zogenaamde inlenersbeloning) wat betreft de hoogte van het salaris en een aantal vergoedingen en toeslagen. Voorts zijn zij van mening dat Transcore hen ten onrechte niet heeft uitbetaald in overeenstemming met het minimum overeengekomen aantal arbeidsuren, ten onrechte vakantie-uren en correctiedagen heeft verrekend, en de Arbeidstijdenwet overtreedt door niet tijdig het wekelijkse arbeids- en rusttijdenpatroon mee te delen. De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellanten c.s.] voor een klein gedeelte toegewezen, en voor het overige deel afgewezen. [appellanten c.s.] zijn van dit vonnis in hoger beroep gekomen, en hebben in hoger beroep hun vorderingen aangevuld en gewijzigd.

3. Het hof merkt op dat [L] en [U], mede-eisers in eerste aanleg, geen partij zijn in hoger beroep. Dit brengt mee dat het vonnis van de kantonrechter ten opzichte van hen in kracht van gewijsde is gegaan. Het hof merkt voorts op dat Transcore geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld van het vonnis van de kantonrechter, zodat de toewijzing door de kantonrechter van de gevorderde verklaring voor recht met betrekking tot het belgeld van € 10,00 bruto tot 1 januari 2012 en de vergoedingen en toeslagen als genoemd in artikel 33 van de Matrans-CAO eveneens kracht van gewijsde hebben gekregen. Transcore heeft in hoger beroep meegedeeld dat zij zich op voormelde punten neerlegt bij de beslissing van de kantonrechter, onder handhaving van al haar verweren.

4. Grief 1 betreft een algemene grief en mist zelfstandige betekenis. Deze grief kan derhalve onbesproken blijven.

5. De grieven 2 tot en met 8 hebben betrekking op de feitenvaststelling door de kantonrechter in zijn vonnis van 12 juli 2013 onder 2.1 tot en met 2.5. Het hof overweegt hierover het volgende.

6. Voor zover tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten geen grief is gericht, gaat ook het hof hiervan uit. De grieven 2 tot en met 5 klagen er over dat de kantonrechter een aantal relevante feiten niet in de feitenvaststelling heeft opgenomen. Het hof merkt in dit verband op dat de feitenvaststelling in een vonnis slechts een selectie vormt, naar keuze van de rechter, van de tussen partijen vaststaande feiten die voor de beoordeling van het geschil (het meest) relevant zijn, maar dat dit niet betekent dat de overige feiten die in de procedure door partijen zijn gesteld bij deze beoordeling buiten beschouwing worden gelaten. Voor zover in de grieven 2 tot en met 5 wordt gewezen op feiten die door Transcore niet zijn weersproken, gaat het hof van de juistheid van die feiten uit. De grieven 6 en 7 wijzen er terecht op dat de sector-CAO voor werknemers in dienst van de sjorbedrijven in het havengebied van Rotterdam 2006-2009 (hierna: sjor-CAO) nooit is ondertekend en ook niet ingevolge artikel 4 Wet op de loonvorming is aangemeld bij het Ministerie van SZW. Wel zijn de resultaten van het CAO-overleg neergelegd in een onderhandelingsresultaat (hierna: het Onderhandelingsresultaat). Rechtsoverweging 2.5 van het vonnis van de kantonrechter wordt in die zin aangepast. Voor de klacht in grief 8 dat de kantonrechter niet alle relevante bepalingen uit de sjor-CAO en het Onderhandelingsresultaat in de feitenweergave heeft opgenomen, geldt hetzelfde als hierboven is overwogen met betrekking tot de grieven 2 tot en met 5. De grieven 2 tot en met 8 zijn hiermee voldoende besproken.

7. De grieven 9 tot en met 28 hebben betrekking op de vorderingen die [appellanten c.s.] hebben ingesteld op grond van de inlenersbeloning, voor zover deze door de kantonrechter zijn afgewezen. Anders dan [appellanten c.s.] menen, dient het hof in het kader van de devolutieve werking van het appel het verweer van Transcore ten aanzien van de toepasselijkheid van de inlenersbeloning opnieuw te beoordelen. Het hof overweegt hierover het volgende.

De toepasselijkheid van de inlenersbeloning

8. [appellanten c.s.] hebben hun stelling dat zij in aanmerking komen voor toepassing van de inlenersbeloning in hoger beroep gegrond op artikel 8 lid 1 van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (hierna: Waadi) jo. artikel 19, vijfde lid, sub b van de ABU-CAO. Transcore heeft de toepasselijkheid van de inlenersbeloning betwist. Het hof overweegt hierover het volgende.

9. Artikel 8 Waadi is van driekwart dwingend recht, en vormt het uitgangspunt bij de beoordeling van de toepassing van de inlenersbeloning. Dit artikel luidde op 1-1-2007 (ingangsdatum vordering):
Artikel 8: loonverhoudingsnorm

  1. Degene die arbeidskrachten ter beschikking stelt is aan deze arbeidskrachten loon en overige vergoedingen verschuldigd overeenkomstig het loon en de overige vergoedingen die worden toegekend aan werknemers, werkzaam in gelijke of gelijkwaardige functies in dienst van de onderneming bij welke de terbeschikkingstelling plaats vindt.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien in een collectieve arbeidsovereenkomst, van toepassing op de onderneming die de arbeidskracht ter beschikking stelt, of bij of krachtens wet is bepaald, welk loon en overige vergoedingen degene, die arbeidskrachten ter beschikking stelt, aan die arbeidskrachten verschuldigd is.

  3. Het eerste lid is eveneens niet van toepassing, indien op de onderneming bij welke de ter beschikkingstelling plaats vindt, een collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is, die bepalingen bevat op grond waarvan de werkgever zich ervan moet verzekeren dat aan arbeidskrachten die aan zijn onderneming ter beschikking zijn gesteld loon en overige vergoedingen worden betaald overeenkomstig de bepalingen van die collectieve arbeidsovereenkomst.

Sinds 27 april 2012 (tot heden) luidt artikel 8 Waadi als volgt:

Artikel 8. Gelijke behandeling 1. De ter beschikking gestelde arbeidskracht heeft recht op ten minste dezelfde arbeidsvoorwaarden als die welke gelden voor werknemers werkzaam in gelijke of gelijkwaardige functies in dienst van de onderneming waar de terbeschikkingstelling plaatsvindt:

a. met betrekking tot het loon en overige vergoedingen;

b. op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst of andere niet wettelijke bepalingen van algemene strekking die van kracht zijn binnen de onderneming waar de terbeschikkingstelling plaatsvindt, met betrekking tot de arbeidstijden, daaronder begrepen overwerk, rusttijden, arbeid in nachtdienst, pauzes, de duur van vakantie en het werken op feestdagen.

2. (….) 3. Bij collectieve arbeidsovereenkomst kan worden afgeweken van het eerste en tweede lid, mits:

a. indien de periode gedurende welke wordt afgeweken in duur is beperkt, die overeenkomst voorziet in een regeling op grond...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT