Uitspraak Nº 200.159.016/01. Gerechtshof Amsterdam, 2015-10-27

Datum uitspraak:27 oktober 2015
Uitgevende instantie::Gerechtshof Amsterdam
 
GRATIS UITTREKSEL

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.159.016/01

zaak/rolnummer rechtbank Amsterdam: 2834449 CV EXPL 14-5735

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 oktober 2015

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X] ONROERENDGOED BEHEER BV,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. J. Groenewoud te Amsterdam,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J. Wolfrat te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [X] BV en [geïntimeerde] genoemd.

[X] BV is bij dagvaarding van 9 september 2014 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 8 augustus 2014, gewezen tussen [X] BV als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties;

- akte van [X] BV, met een productie;

- antwoordakte.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[X] BV heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog haar oorspronkelijke vorderingen zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten, met nakosten.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met beslissing over de proceskosten, met nakosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten
2.1

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.11 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die zijn gebleken uit de niet (voldoende) weersproken stellingen van partijen, komen de feiten neer op het volgende.

2.1.1.

[X] BV is sinds 1972 eigenaresse en verhuurster van de woonruimte aan de [adres 1] (hierna: het gehuurde) die zij aan gedaagde verhuurt.

2.1.2.

In 1972 werden de tweede, derde en vierde etage van het pand verhuurd aan mevrouw [A] . Zij woonde er niet maar verhuurde deze etages door/onder aan [geïntimeerde] (de derde etage, sinds april 1995), [B] (de tweede etage) en [C] (de vierde etage, tot december 2008).

2.1.3.

De directeur van [X] BV, [X] (hierna: [X] ), wenste duidelijke afspraken te maken met de zittende (onder)huurders en heeft daarom in 1996 nieuwe huurovereenkomsten opgesteld tussen [X] BV en de onderhuurders.

2.1.4.

Op 23 december 1996 zijn partijen een schriftelijke huurovereenkomst

aangegaan met betrekking tot het gehuurde, ingaande 1 januari 1997, tegen een

huurprijs van fl. 499,- per maand.

2.1.5.

Ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst met [X] BV was [geïntimeerde] ook eigenaar van een woning in Groningen.

2.1.6.

Op de huurovereenkomst zijn de algemene bepalingen huurovereenkomst

woonruimte van toepassing.

In artikel 1.1 van de algemene bepalingen is opgenomen:

Huurder dient het gehuurde - gedurende de gehele duur van de overeenkomst - daadwerkelijk, behoorlijk en zelf te gebruiken uitsluitend overeenkomstig de in de huurovereenkomst aangegeven bestemming en met inachtneming van bestaande beperkte rechten en van overheidswege en vanwege de nutsbedrijven gestelde of nog te stellen eisen. Huurder dient het gehuurde te meubileren en voldoende gemeubileerd te houden.

In artikel 1.3 van de algemene bepalingen is opgenomen:

Huurder is - zonder voorafgaande toestemming van verhuurder - niet bevoegd het gehuurde geheel of gedeeltelijk in huur, onderhuur of gebruik aan derden af te staan, daaronder begrepen het verhuren van kamers en het verlenen van pension.

2.1.7.

[X] , directeur van eiseres, (hierna: [X] ) woont sinds 1998 op de eerste etage van het pand en deelt het trappenhuis met [geïntimeerde] en [B] (hierna ook: [B] ).

2.1.8.

Bij aangetekende brief van 26 september 2013 heeft [X] [geïntimeerde] het volgende geschreven:

Hierbij zeg ik namens [Y] og Beheer bv. de huurovereenkomst voor de woonruimte aan de [adres 1] op met inachtneming van een opzegtermijn van 6 maanden, derhalve tegen 01 april 2014 op de grond dat u zich niet hebt gedragen zoals het een goed huurder betaamt. Ik verzoek u mij binnen 6 weken na dagtekening van deze brief schriftelijk te bevestigen dat u instemt met de opzegging, bij gebreke waarvan een beëindigingsprocedure bij de kantonrechter Amsterdam zal worden opgestart. De kosten die met een procedure zijn gemoeid, zullen op u worden verhaald.

Om er van verzekerd te zijn dat deze brief u bereikt, stuur ik u deze zowel per aangetekende als per gewone post en per e-mail toe.

Sedert 01 januari 1997 huurt u een etage aan voormeld adres, basis hiervoor is een huur overeenkomst waarin onder artikel 1.2 vermeld staat dat: het gehuurde is uitsluitend bestemd om te worden gebruikt als woonruimte.

Verder staat onder art. 7.1: vanaf de ingangsdatum van de huur worden alle mededelingen van verhuurder aan huurder in verband met de uitvoering van dit huurcontract, gericht...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT