Uitspraak Nº 200.162.766. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 2017-01-10

Datum uitspraak:10 januari 2017
Uitgevende instantie::Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
 
GRATIS UITTREKSEL
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.162.766

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 353103)

arrest van 10 januari 2017

in de zaak van

1 [appellant 1] en

2. [appellant 2],

beiden wonende te [plaatsnaam] ,

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk: [appellanten] ,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Defam B.V.,

gevestigd te Bunnik,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Defam,

advocaat: mr. A. van Hees.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 20 november 2013 en 1 oktober 2014 van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht.

2 Het geding in hoger beroep
2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 5 december 2014,

- de memorie van grieven tevens akte vermeerdering (de grondslag) van eis (met producties),

- de memorie van antwoord (met producties),

- een akte van [appellanten] (met producties),

- een akte van Defam.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.11 van het vonnis van 1 oktober 2014.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg
4.1

Het gaat in dit geding kort gezegd om het volgende. (De rechtsvoorganger van) Defam en [bedrijf 1] hebben met [appellanten] een effectenlease contract gesloten, op grond waarvan aan [appellanten] een leasebedrag van € 40.260,29 is verstrekt, waarvoor aandelen zijn gekocht. Toen het contract afliep in augustus 2005, zijn de aandelen verkocht en is de opbrengst daarvan aangewend voor aflossing van de schuld van [appellanten] aan Defam. Daarna resteerde een restschuld van € 15.454,36, die [appellanten] in oktober 2005 aan Defam heeft betaald.

4.2

[appellanten] heeft in eerste aanleg kort samengevat gevorderd een verklaring voor recht dat Defam door schending van haar zorgplichten en van haar mededelingsplicht [appellanten] op onrechtmatige wijze heeft laten benaderen en heeft bewogen om het contract met Defam aan te gaan en aansprakelijk is voor de volledige als gevolg daarvan door [appellanten] geleden schade, alsmede veroordeling van Defam om aan hem te voldoen al hetgeen hij aan Defam ingevolge het contract heeft voldaan, met rente en kosten. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen op grond van haar oordeel dat [appellanten] niet tijdig heeft geklaagd over het schenden van de zorgplicht door Defam. [appellanten] heeft tegen dat vonnis een grief gericht.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

klachtplicht

5.1

De rechtbank heeft in r.o. 4.11 van het vonnis waarvan beroep geoordeeld dat [appellanten] met de brief die mr. M.J. Reitsema van [bedrijf X] (hierna: [bedrijf X] ) op 19 juli 2006 namens [appellanten] aan Defam zond, niet tijdig heeft geklaagd, omdat daarin de gronden op grond waarvan aanspraak werd gemaakt op terugbetaling, niet zijn onderbouwd, terwijl daarin evenmin is gesteld dat Defam haar zorgplicht heeft geschonden. Daarom oordeelde de rechtbank dat de brief niet kon worden opgevat als een klacht over het schenden van de zorgplicht.

5.2

In de brief van [bedrijf X] van 19 juli 2006 (prod. 4 bij conclusie van antwoord) is onder meer vermeld:

“Hierbij bericht ik u dat bovengenoemde cliënten ( [appellanten] , hof) mij verzocht hebben hun belangen in het geschil met u te behartigen. Ik sluit een kopie van de door cliënten getekende volmacht bij.

Aangezien aan cliënten krediet is verstrekt onder de voorwaarde dat cliënten dit krediet zouden aanwenden voor de aanschaf van effecten is bovengenoemd contract ingevolge artikel 33 WCK...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT