Uitspraak Nº 200.167.971/01. Gerechtshof Amsterdam, 2016-03-22

CourtGerechtshof Amsterdam (Nederland)
Docket Number200.167.971/01
ECLIECLI:NL:GHAMS:2016:1074

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.167.971/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 416539 / HA ZA 09-69

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 maart 2016

inzake

[APPELLANT],

appellant in de hoofdzaak,

verweerder in de incidenten,

advocaat: mr. J. Verhoeven te Alphen aan den Rijn,

tegen:

1 [GEÏNTIMEERDE SUB 1]

gevestigd te [plaats],

2. KBL EUROPEAN PRIVATE BANKERS S.A.,

gevestigd te Luxemburg, Luxemburg,

advocaat geïntimeerden sub 1 en 2: mr. A.H. Beekhuizen te Amsterdam,

3. KBC GROEP N.V.,

gevestigd te Brussel, België,

advocaat geïntimeerde sub 3: mr. A. van Hees te Amsterdam,

geïntimeerden in de hoofdzaak,

eiseressen in de incidenten.

Partijen worden hierna ook [appellant], [geïntimeerde sub 1], KBL en KBC genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 12 februari 2015 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 november 2014 dat onder bovengenoemd zaak-/rolnummer is gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, verweerder in reconventie, en [geïntimeerde sub 1], KBL en KBC als gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend

- memorie van grieven, met producties, van [appellant];

- incidentele conclusie tot zekerheidstelling voor de proceskosten ex artikel 224 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), met producties, van [geïntimeerde sub 1] en KBL;

- incidentele conclusie tot zekerheidstelling voor de proceskosten ex artikel 224 Rv, met producties, van KBC;

- conclusie van antwoord in de incidenten, met producties, van [appellant];

- antwoordakte van [geïntimeerde sub 1] en KBL van 6 oktober 2015;

- akte uitlating producties van KBC van 6 oktober 2015;

- akte overlegging producties van [appellant] van 3 november 2015;

- antwoordakte van [geïntimeerde sub 1] en KBL van 17 november 2015;

- akte uitlating producties van KBC van 17 november 2015.

Partijen hebben vervolgens arrest gevraagd in de incidenten.

[geïntimeerde sub 1] en KBL, alsmede KBC hebben (bij hun onderscheiden conclusies) incidenteel gevorderd dat [appellant] aan ieder van hen zekerheid zal stellen voor de - bij een bekrachtiging van het bestreden vonnis - te verwachten proceskostenveroordeling ten bedrage van € 70.000,-, althans een ander door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, door het stellen van een deugdelijke bankgarantie van een met goede naam en faam bekendstaande Nederlandse bankinstelling, zoals in hun incidentele conclusies omschreven, althans op een door het hof in goede justitie te bepalen wijze, een en ander binnen een week na betekening van het in deze te wijzen arrest in incident, op straffe van - zo begrijpt het hof - niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] in de hoofdzaak in hoger beroep, althans van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per dag(deel) dat [appellant] in gebreke blijft, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het incident en, voor het geval wegens het niet tijdig stellen van de gevorderde zekerheid de hoofdzaak eindigt, in de kosten van de hoofdzaak, alles uitvoerbaar bij voorraad.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof [geïntimeerde sub 1], KBL en KBC niet-ontvankelijk zal verklaren in hun incidentele vorderingen tot zekerheidstelling, althans deze zal afwijzen, met hun veroordeling in de kosten van de incidenten.

2 Beoordeling

in het incidenten

2.1.

Het hof zal eerst ingaan op het betoog van [appellant] dat de incidentele vorderingen pas zijn ingesteld vier werkdagen voor afloop van de aan geïntimeerden verleende nadere termijn van acht weken voor het nemen van hun memories van antwoord in de hoofdzaak. Voor zover [appellant] daarmee heeft bedoeld te betogen dat geïntimeerden hun incidentele vorderingen te laat hebben ingesteld, volgt het hof hem hierin niet. In artikel 224 lid 3 Rv is bepaald dat de wederpartij bevoegd is een vordering tot zekerheidstelling in te stellen vóór alle weren, zoals hier is gebeurd (zie procesverloop onder 1). Dat deze incidentele vorderingen afzonderlijk dienen te worden behandeld, voorafgaand aan het nemen van een memorie van antwoord, is bij rolbeslissing van 5 oktober 2015 al beslist en die beslissing is bij rolbeslissing van 11 februari 2016 gehandhaafd. Bij eerstgenoemde rolbeslissing is ook beslist dat, anders dan [appellant] betoogt, geïntimeerden voor het nemen van die memorie na het arrest in de incidenten alsnog de gelegenheid krijgen. Het hof ziet geen reden om op dit punt thans tot een ander oordeel te komen.

2.2.

In de onderhavige incidenten tot zekerheidstelling hebben eiseressen in de incidenten aangevoerd dat [appellant] geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft. [appellant] heeft immers zowel bij appeldagvaarding als in de memorie van grieven vermeld dat hij woonplaats heeft te...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT