Uitspraak Nº 200.170.754/01. Gerechtshof Den Haag, 2017-05-23

Datum uitspraak:23 mei 2017
Uitgevende instantie::Gerechtshof Den Haag
 
GRATIS UITTREKSEL
GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

Uitspraakdatum : 23 mei 2017

Zaaknummer : 200.170.754

Zaak-/rolnummer rechtbank : C/10/445666/HA ZA 14-238

Arrest

in de zaak van:

1. ELG HANIEL TRADING GMBH,

gevestigd te Duisburg, Duitsland,

2. HERNIC FERROCHROME (PTY) LTD.,

gevestigd te Brits, Zuid-Afrika,

3. ALLIANZ BENELUX N.V.,

gevestigd te Brussel,

4. ALLIANZ INSURANCE LIMITED,

gevestigd te Johannesburg, Zuid-Afrika,

5. ALLIANZ GLOBAL CORPORATE & SPECIALITY A.G.,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

appellanten, tevens geïntimeerden in incidenteel appel,

advocaat: mr. D. Knottenbelt (Rotterdam),

tegen

1. [naam 1] V.O.F. en haar vennoten:

2. [vennoot 1] en

3. [vennoot 2] ,

gevestigd, respectievelijk wonende te Maasbracht,

4. E.O.C. ONDERLINGE SCHEPENVERZEKERING U.A.,

gevestigd te Meppel,

geïntimeerden sub 1 tot en met 4, tevens appellanten in incidenteel appel,

advocaat: mr. T. Roos (Rotterdam),

5. SCHEEPVAARTBEDRIJF MS AMASUS 2 B.V.,

gevestigd te Delfzijl, kantoorhoudende te Farmsum,

6. REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

7. ALLIANZ BENELUX N.V.,

gevestigd te Brussel,

geïntimeerden sub 5 tot en met 7, niet verschenen.

Appellanten, tevens geïntimeerden in incidenteel appel, worden hierna genoemd:

‘ELG’ (sub 1), ‘Hernic’ (sub 2) en ‘ladingassuradeuren’ (sub 3 tot en met sub 5); tezamen: ‘ladingbelanghebbenden’. Geïntimeerden sub 1 tot en met 4, tevens appellanten in incidenteel appel, worden gezamenlijk ‘belanghebbenden bij de [naam 1] ’ genoemd; geïntimeerden sub 5 tot en met 7 gezamenlijk: ‘belanghebbenden bij de [naam 2] ’ en geïntimeerde sub 5 afzonderlijk: ‘Amasus’.

Het geding

Ladingbelanghebbenden zijn (met kennisgeving als bedoeld in art. 642y lid 3 Rv) bij exploten van 31 december 2014 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 10 december 2014 dat de Rechtbank Rotterdam heeft gewezen tussen hen als eiseressen tot verificatie aan de ene en de belanghebbenden bij de [naam 1] en de [naam 2] als verweersters aan de andere zijde. Op de rol hebben zij een memorie van grieven met daarin vijf grieven ingediend. De belanghebbenden bij de [naam 1] hebben daarop gereageerd bij memorie van antwoord (met producties), onder aanvoering hunnerzijds van twee grieven in incidenteel appel, waar ladingbelanghebbenden op hun beurt op hebben gereageerd bij memorie van antwoord in incidenteel appel (met producties). Vervolgens hebben mrs. J.G.M. Kromhout (voor ladingbelanghebbenden) en T. Roos (voor de belanghebbenden bij de [naam 1] ) de zaak aan de hand van door hen overgelegde pleitnota’s bepleit. Na afloop van de pleidooien is een datum bepaald voor het wijzen van arrest.

Tegen de niet verschenen belanghebbenden bij de [naam 2] is verstek verleend.

De beoordeling van het hoger beroep korte schets van de zaak

Dit is een renvooiprocedure in een beperkingszaak. De achtergrond ervan is de volgende. Op maandagochtend 13 oktober 2008 rond 04:00 uur is het zeeschip ‘ [naam 2] ’ in aanvaring gekomen met het binnenvaartschip ‘ [naam 1] ’. Dat gebeurde op de Oude Maas ter hoogte van de voormalige Barendrechtse brug. Als gevolg van die aanvaring, waarbij de [naam 2] dwars over de [naam 1] voer, is de [naam 1] vrijwel meteen gezonken en met haar de lading, bestaande uit een door Hernic aan ELG verkochte hoeveelheid ferrochroom. De volgende dag zijn schip en lading door Rijkswaterstaat ‘onder de Wrakkenwet geplaatst’, waarna is begonnen met bergingswerkzaamheden. Die werkzaamheden - in opdracht van Rijkswaterstaat uitgevoerd door GPS Marine Service B.V. - waren op 17 oktober 2008 voltooid. De geborgen lading is vervolgens in een duwbak (de ‘Vos 10’) naar de Vulcaanhaven in Vlaardingen gebracht. Om vrijgave ervan te verkrijgen dienden ladingbelanghebbenden zekerheid te stellen, niet alleen, zoals zij wensten, voor de geschatte kosten van het bergen van de lading (€ 34.000,-), maar ook voor die van het bergen van het scheepswrak. Zo is het uiteindelijk ook ge-gaan; op 13 maart 2009 hebben zij door de ING Bank N.V. ten gunste van de Staat een afroepgarantie doen stellen voor een bedrag van € 600.000,-. Deze zekerheid is voor een bedrag van € 560.790,72 uitgewonnen. Voor die aldus ten laste van hen gekomen kos-ten van wrakopruiming hebben ladingbelanghebbenden een vordering ingediend in het wrakkenfonds dat door de belanghebbenden bij de [naam 2] is gesteld. De omvang van dat fonds is SDR 612.316 en dus toereikend voor deze vordering. Ladingbelanghebbenden stellen dat zij daarnaast ook ladingschade hebben geleden, doordat: (a) de lading niet voor de overeengekomen prijs van omgerekend

€ 1.007.153,14 aan de uiteindelijke afnemer ervan, zijnde Deutsche Edelstahlwerke GmbH (hierna: DEW), kon worden geleverd; (b) als gevolg van de aanvaring en het zinken een hoeveelheid ferrochroom verloren is gegaan (aanvankelijk werd gesproken over 20.608 ton met een waarde van € 26.021,90, maar in hoger beroep is een hoger tonnage, 26.448 ton, met ook een hogere waarde, € 33.395,95, genoemd) en (c) na vrijgave van het geborgen ferrochroom in maart 2009, de waarde ervan door een prijsdaling nog maar € 361.372,95 was. Voor dit verlies (van € 26.021,90 of

€ 33.395,95) en deze waardedaling (in beide instanties becijferd op

€ 613.109,02), nog vermeerderd met verscheidene kostenposten, wensen ladingbelang-hebbenden te worden toegelaten tot het door de belanghebbenden bij de [naam 2] tevens gestelde zakenfonds, waarvan de omvang is: SDR 342.684 (€ 400.940,28). De belang-hebbenden bij de [naam 1] - die zelf voor een bedrag van € 479.882,00 aan geverifieerde vorderingen hebben ingediend in dit zakenfonds, derhalve voor meer dan de omvang ervan, en bij verificatie van de (ladingschade)claim van ladingbelanghebbenden hun uitkeringspercentage zien dalen - verzetten zich tegen die verificatie. Hun argumenten daarbij zijn, onder meer, dat van enig ladingverlies geen sprake is en dat, wat de waardedalingsschade betreft, de rechtens relevante oorzaak niet de aanvaring is, maar de eigen keuze van ladingbelanghebbenden om (i) niet zelf opdracht tot de berging te geven of (ii) niet meteen in oktober 2008, maar eerst in maart 2009 een garantie voor de bergingskosten te stellen. Ook tegen de verificatie van de meeste kostenposten hebben zij zich verzet. De rechtbank - waarnaar het geschil op de verificatievergadering van 7 oktober 2009 verwezen was - achtte het verzet grotendeels gegrond en wees de vordering (tot verificatie) om die reden af, op wat kostenposten na, waaronder een deel van de kosten van de afroepgarantie. Tegen die afwijzing richt zich het hoger beroep van ladingbelanghebbenden, terwijl de belanghebbenden bij de [naam 1] in incidenteel appel opkomen tegen de toewijzing van de kosten van de afroepgarantie en de in hun ogen te lage proceskostenveroordeling ten gunste van hen.

enkele andere feiten

2.1

In overweging 3.7 van het vonnis zijn vaststaande feiten vermeld. Voor zover

daartegen niet is opgekomen worden die feiten in hoger beroep eveneens als vaststaand aangemerkt. Voor de overzichtelijkheid worden (enkele van) die vaststaande feiten hieronder herhaald, met ook nog een aanvulling erop.

2.2

De lading ferrochroom aan boord van de [naam 1] had een gewicht van 792.348 kg. Dat blijkt uit het ‘gauging certificate’ van RC Inspection B.V. (hierna RC Inspection) van 12 oktober 2008.

2.3

Deze lading was - voor doorvervoer naar Duisburg/Selgen - in de [naam 1] overgeslagen vanuit het zeeschip [naam 3] . Met dat schip was een zending van 3.000 ton ferrochroom vanuit Richards Bay in Zuid-Afrika naar Rotterdam vervoerd. Die zending was door Hernic verkocht aan ELG; volgens een ‘provisional commercial invoice’ van 25 augustus 2008 voor een bedrag van USD 5.335.870,04, waarvan 95% (USD 5.069.076,53) ‘for provisional payment’. De ‘invoice’ bevat verder o.a. als gegevens: ‘For DEW’ en ‘Incoterm DDU Selgen’.

2.4

Op 20 of 21 oktober 2008 is ten verzoeke van ELG en Hernic conservatoir scheepsbeslag gelegd op de geborgen [naam 1] . In het onderliggende beslagrekest van 20 oktober 2008 stellen ELG en Hernic onder meer (punt 5): ‘Naast de schade aan de lading moeten verzoeksters ook kosten in verband met de berging maken. Deze bergingskosten zullen ongeveer EUR 600.000 bedragen.’

Op 22 oktober 2008 heeft de eigenaar van de [naam 1] afstand gedaan van dat schip.

2.5

Vulcaanhaven B.V. heeft Rijkswaterstaat een factuur gedateerd 4 november 2008 gestuurd voor het lossen van 792.000 kg uit de duwbak ‘Vos 10’ (waarmee het geborgen ferrochroom naar de Vulcaanhaven was gebracht).

2.6

ELG en Henric hebben in kort geding gevorderd dat de Staat wordt veroordeeld tot vrijgave van het geborgen ferrochroom tegen een zekerheidstelling voor een bedrag van € 34.000,-. Die vordering is bij kortgedingvonnis van 29 januari 2009 afgewezen. In dat vonnis overweegt de voorzieningenrechter dat niet onrechtmatig is dat de Staat zekerheidsstelling verlangt voor de volledige opruimingskosten. Er is geen hoger beroep ingesteld.

2.7

De advocaat van ladingbelanghebbenden heeft hun ladingschadeclaim bij brief van 30 januari 2009 ingediend bij de vereffenaar van het zakenfonds. De brief luidt, voor zover van belang:

‘De vordering van cliënten bedraagt thans EUR 708.100,72 exclusief rente. Ter onderbouwing van deze vordering verwijzen wij naar het expertiserapport [..] alsmede naar de onderliggende bewijsstukken van de vordering [..].’

Het expertiserapport waarnaar de brief verwijst is een op verzoek van ELG door Interlloyd Averij B.V. opgesteld ‘preliminary survey report’, gedateerd 30 januari 2009, over de aard, omvang en oorzaak van de schade. Pagina 5 van het rapport vermeldt o.a.:

Costs made by ELG Haniel Trading GmbH

Value of the cargo at time of the incident EUR 1,001,767.10

Value of cargo at time of issuing this report EUR 428,159.40

Difference...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT