Uitspraak Nº 200.201.775/01. Gerechtshof Amsterdam, 2016-11-22

Datum uitspraak:22 november 2016
Uitgevende instantie::Gerechtshof Amsterdam
 
GRATIS UITTREKSEL
GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.201.775/01 SKG

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/615698 / KG ZA 16-1124

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 november 2016

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats 1] ,

appellant in de hoofdzaak, verweerder in het incident,

advocaat: mr. B. Coskun te Amsterdam,

tegen

RAPPANGE ADMINISTRATIE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde in de hoofdzaak, verweerster in het incident,

advocaat: mr. E.W. Baart te Amsterdam,

met als voegende partij aan de zijde van appellant

[moeder appellant] ,

[zus appellant] en

de minderjarige [minderjarige] voor wie [zus appellant] als wettelijk vertegenwoordiger in dit geding optreedt,

allen wonend te [woonplaats 2] ,

eisers in het incident tot voeging aan de zijde van appellant,

advocaat: mr. E. Cekic te Zaandam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] , Rappange en [moeder en zus appellant] genoemd. [appellant] en [moeder en zus appellant] gezamenlijk zullen hierna [appellant, moeder en zus appellant] worden genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van (naar het hof begrijpt) 25 oktober 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 30 september 2016, in kort geding gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie tevens verweerder in reconventie, Rappange als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie en [moeder en zus appellant] als voegende/gevoegde partij aan de zijde van [appellant] (hierna: het bestreden vonnis).

De appeldagvaarding (met producties) bevat de grieven. [appellant] heeft daarna ter rolle geconcludeerd overeenkomstig de appeldagvaarding.

[moeder en zus appellant] hebben voorafgaand aan de behandeling ter terechtzitting van 27 oktober 2016 een incidentele memorie tot tussenkomst, althans voeging aan de zijde van [appellant] ingediend. [moeder en zus appellant] hebben ter terechtzitting de vordering tot tussenkomst ingetrokken. Rappange en [appellant] hebben geen bezwaren geuit tegen voeging door [moeder en zus appellant] aan de zijde van [appellant] .

Rappange heeft ter terechtzitting een memorie van antwoord in de hoofdzaak genomen.

[appellant] heeft in de hoofdzaak geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – naar het hof begrijpt – alsnog de executie van het vonnis van 25 juli 2016 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: het vonnis in de bodemprocedure) zal verbieden, althans verdere executie van dat vonnis zal verbieden totdat in de bodemprocedure in hoger beroep is beslist, op straffe van een dwangsom, en Rappange zal veroordelen in de kosten van de kortgedingprocedure in beide instanties.

Rappange heeft in de hoofdzaak geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met beslissing over de proceskosten, met nakosten en rente.

Partijen hebben de zaak ter voormelde terechtzitting doen bepleiten, [appellant] en Rappange door hun voornoemde advocaten en [moeder en zus appellant] door mr. B. Coskun te Amsterdam.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Beoordeling
2.1

Het hof neemt bij de beoordeling van de zaak het volgende als uitgangspunt.

2.1.1

Met ingang van 1 mei 1998 heeft [appellant] van (de rechtsvoorganger van) Rappange de woning aan de [adres 1] gehuurd (hierna: het gehuurde). Het gehuurde is een etagewoning van circa 50 m2 met een woonkamer, twee slaapkamers (waarvan een slaapkamer met douchegelegenheid) en een keuken.

2.1.2

Artikel 1.1 van de op de huurovereenkomst van toepassing zijnde algemene bepalingen bepaalt dat de huurder het gehuurde daadwerkelijk zelf dient te gebruiken. Artikel 1.3 van de algemene bepalingen bepaalt dat het de huurder zonder toestemming niet is toegestaan het gehuurde (geheel, dan wel gedeeltelijk) onder te verhuren, dan wel aan derden in gebruik te geven.

2.1.3

De huurovereenkomst is in 1998 aangegaan door [appellant] en zijn toenmalige echtgenote [A] . Sinds 2002 zijn beiden eigenaar van de woning aan de [adres 2] . In 2003 is de echtscheiding uitgesproken tussen [appellant] en [A] . Omstreeks 2012 hebben [appellant] en [A] een dochter gekregen. Zij hebben in totaal drie kinderen, die in de woning aan de [adres 2] wonen.

2.1.4

In 2008 is [moeder appellant] , de moeder van [appellant] (thans 74 jaar), in het gehuurde gaan wonen. In 2009 is [zus appellant] (thans 50 jaar), de zus van [appellant] , met haar verstandelijk gehandicapte dochter [minderjarige] (thans 17 jaar), in het gehuurde gaan wonen.

2.1.5

Op 29 september 2015 heeft een medewerker van Rappange een bezoek gebracht aan het gehuurde. In het gehuurde waren toen [moeder en zus appellant] aanwezig. In het gehuurde stonden op dat moment een tweepersoons bed en een eenpersoons bed.

2.1.6

Rappange heeft PSG Perception Security Group B.V. (hierna: PSG) opdracht gegeven te onderzoeken of [appellant] het gehuurde gebruikt zoals is overeengekomen met Rappange. PSG heeft op 10 november 2015 een onderzoeksrapport dienaangaande uitgebracht (hierna: het PSG-rapport).

2.1.7

Op vordering van Rappange heeft de kantonrechter in het vonnis in de bodemprocedure – voor zover in het onderhavige hoger beroep nog van belang en samengevat – de huurovereenkomst ontbonden, omdat [appellant] het gehuurde zonder toestemming van Rappange aan [moeder en zus appellant] in gebruik heeft gegeven en [appellant] veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde binnen zes weken na betekening van het vonnis. Rappange heeft...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT