Uitspraak Nº 200.206.066/ 01. Gerechtshof Amsterdam, 2018-04-17

Datum uitspraak:2018/04/17
Uitgevende instantie::Gerechtshof Amsterdam
 
GRATIS UITTREKSEL
GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie -en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.206.066/ 01

rekest- en zaaknummer rechtbank: C/13/598528 / FA RK 15-8716

beschikking van de meervoudige kamer van 17 april 2018 inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. P.W.M. Franssen te Amsterdam,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. C. van Baalen-van IJzendoorn te Amsterdam.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

locatie: Amsterdam,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 5 oktober 2016 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep
2.1

De man is op 22 december 2016 in hoger beroep gekomen van bovengenoemde beschikking van 5 oktober 2016.

2.2

De vrouw heeft op 3 februari 2017 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3

De man heeft op 14 maart 2017 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 29 maart 2017 met bijlagen, ingekomen op 30 maart 2017;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 30 maart 2017 met bijlagen, ingekomen op 31 maart 2017;

- een faxbericht van de zijde van de vrouw van 31 maart 2017 met bijlagen, ingekomen op 3 april 2017;

- een faxbericht van de zijde van de vrouw van 3 april 2017 met bijlage, ingekomen op 3 april 2017.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 10 april 2017 plaatsgevonden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof besloten de zitting pro forma aan te houden tot zondag 6 augustus 2017 en de raad verzocht een onderzoek in te stellen om alle opties die door partijen naar voren zijn gebracht met betrekking tot verhuizing, hoofdverblijfplaats van en zorgregeling met na te noemen [de minderjarige] te onderzoeken. Tevens heeft het hof de man gevraagd zijn jaaropgaaf 2016, de Nederlandse aangiftes inkomstenbelasting over 2015 en 2016, de loonstroken van 2017 met informatie over de bonus en een nadere toelichting op de werking van de 30%-regeling aan het hof te verstrekken.

2.6

Vervolgens zijn bij het hof de volgende stukken binnengekomen:

- een faxbericht van de zijde van de man van 24 juli 2017 met bijlage, ingekomen op 24 juli 2017;

- een brief van de raad van 8 augustus 2017 met als bijlage een raadsrapport van 7 augustus 2017, ingekomen op 10 augustus 2017;

- een faxbericht van de zijde van de man van 8 november 2017 met bijlagen, ingekomen op 8 november 2017;

- een brief van de zijde van de vrouw van 10 november met bijlagen, ingekomen op 10 november 2017.

2.7

De mondelinge behandeling is op 22 november 2017 voortgezet. Verschenen zijn:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat. Voor de man is de heer E. Tackey opgetreden als geregistreerde tolk in de Engelse taal;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Voor de vrouw is mevrouw H. Haneda opgetreden als tolk in de Japanse taal;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer V. Aelbers.

3 De feiten
3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Partijen zijn [in] 2007 met elkaar gehuwd te [plaats c] , Verenigd Koninkrijk. Dit huwelijk is ontbonden op 1 juni 2017 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 5 oktober 2016 in de registers van de burgerlijke stand. Partijen hebben de gevolgen van de echtscheiding ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgemeenschap geregeld in een echtscheidingsconvenant.

3.3

Partijen zijn de ouders van [dochter] , geboren [in] 2011 te [geboorteplaats a] (hierna te noemen: [de minderjarige] ). De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] . De man heeft de Britse nationaliteit en de vrouw heeft de Japanse nationaliteit. [de minderjarige] heeft zowel de Britse als de Japanse nationaliteit.

3.4

Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 4 november 2015 betreffende voorlopige voorzieningen is, voor zover hier van belang, bepaald dat [de minderjarige] aan de vrouw zal worden toevertrouwd en is een zorgregeling bepaald waarbij de man [de minderjarige] bij zich heeft de ene week van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 17.00 uur, waarbij de man [de minderjarige] terugbrengt naar de vrouw, en de andere week woensdagmiddag uit school tot vrijdagochtend naar school.

3.5

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

3.6

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken:

Hij is geboren [in] 1982 te [geboorteplaats b] , Verenigd Koninkrijk. Hij heeft een relatie met een partner in Nederland.

Hij is sinds 28 oktober 2013 werkzaam bij [bedrijf] als ‘Product Owner’ op de IT-afdeling. Blijkens de toelichting op de 30%-regeling van de heer De Bats, belastingadviseur, was het netto-inkomen van de man – met toepassing van de 30%-regeling – € 103.240,- in 2015. Blijkens de salarisspecificaties januari tot en met oktober 2017 bedroeg zijn brutoloon in januari en februari € 7.330,- en de overige maanden € 10.031,-.

Hij betaalt sinds 30 juni 2017 € 3.125,- per maand aan huur. Hij betaalt aan premie zorgverzekering € 98,- per maand met een eigen risico van € 32,- per maand.

3.7

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken:

Zij is geboren [in] 1980 te [geboorteplaats c] , Japan. Zij vormt met [de minderjarige] een eenoudergezin.

Zij werkt sinds 18 november 2016 gedurende een halve dag per week bij [werkgever] in [plaats a] als ondersteuner van de medische praktijk. Blijkens haar salarisspecificatie verdient zij geen vast bedrag per maand. Sinds 20 november 2017 werkt de vrouw 20 uur per week bij dezelfde werkgever.

4 De omvang van het geschil
4.1

Bij de bestreden beschikking is:

- tussen partijen de echtscheiding uitgesproken;

- het verzoek van de vrouw om haar vervangende toestemming te verlenen voor verhuizing met [de minderjarige] naar Japan afgewezen;

- de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vrouw bepaald;

- de zorgregeling aldus bepaald dat de man [de minderjarige] bij zich heeft de ene week van vrijdagmiddag uit school tot zondag 17.00 uur waarbij hij [de minderjarige] terugbrengt naar de vrouw, en de andere week van woensdagmiddag uit school tot vrijdagochtend naar school, alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties in onderling overleg tussen partijen te verdelen;

- bepaald dat de man met ingang van 25 februari 2016 € 695,- per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] ;

- bepaald dat de man met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking € 5.030,- per maand zal betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud;

- bepaald dat de regeling zoals tussen partijen is overeengekomen in het aan de beschikking gehechte convenant als herhaald en ingelast wordt beschouwd en deel uitmaakt van de beschikking.

4.2

De man verzoekt in principaal hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, primair om te bepalen dat:

- tussen partijen een co-ouderschapsregeling zal gelden, waarbij [de minderjarige] de ene week van vrijdag na school tot de week erna vrijdag naar school bij de man verblijft en de andere week bij de vrouw en te bepalen dat [de minderjarige] de helft van de schoolvakanties bij de man zal doorbrengen en de andere helft bij de vrouw, waarbij de eerste helft van alle schoolvakanties bij de man en de andere helft bij de vrouw.

- subsidiair de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de man te bepalen en een zorgregeling tussen [de minderjarige] en de vrouw vast te stellen van twee dagen per week;

- het verzoek van de vrouw tot een uitkering in haar levensonderhoud af te wijzen;

- althans een bedrag aan partneralimentatie vast te stellen dat het hof juist acht en waarbij rekening wordt gehouden met de behoefte en behoeftigheid van de vrouw en met de draagkracht van de man voor de duur van maximaal twee jaren, althans een termijn die het hof juist acht, en welk bedrag na ommekomst van twee jaren, althans een termijn die het hof juist acht op nihil wordt gesteld dan wel op een bedrag dat het hof juist acht zijnde de nog aanwezige aanvullende behoefte van de vrouw, waarbij rekening wordt gehouden met zowel het vermogen van de vrouw als met haar verdiencapaciteit;

Meer subsidiair verzoekt de man om:

- te bepalen dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud ieder jaar met 33% wordt afgebouwd.

4.3

De vrouw verzoekt in principaal hoger beroep om de grieven van de man (met uitzondering van de grief die zich richt tegen de toepassing van de hofnorm door de rechtbank) als zijnde ongegrond af te wijzen en de bestreden beschikking in zoverre te bekrachtigen.

De vrouw verzoekt in incidenteel hoger beroep primair om:

- haar vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige] naar [plaats b] , Japan te verhuizen;

- haar vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] te plaatsen op de basisschool [X] te [plaats b] ;

- een zorgregeling te bepalen waarbij [de minderjarige] twee weken gedurende de kerstvakantie, alsmede vier weken gedurende de zomervakantie bij de man zal verblijven, met...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT