Uitspraak Nº 200.214.799_01. Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2020-07-28

Datum uitspraak:28 juli 2020
Uitgevende instantie::Gerechtshof 's-Hertogenbosch
 
GRATIS UITTREKSEL
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.214.799/01

arrest van 28 juli 2020

in de zaak van

1 [appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,

appellanten in principaal hoger beroep,

geïntimeerden in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellanten c.s.] ,

advocaat: mr. M.M. van den Boomen te Herten,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden in principaal hoger beroep,

appellanten in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerden c.s.] ,

advocaat: mr. A.W.J.D. Ray-Engels te Roermond,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 7 augustus 2018 en 18 juni 2019 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer C/03/216787 / HA ZA 16-91 gewezen vonnis van 11 januari 2017.

8 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 18 juni 2019;

  • -

    het proces-verbaal van het getuigenverhoor aan de zijde van [appellanten c.s.] van 19 november 2019;

  • -

    het proces-verbaal van contra-enquête aan de zijde van [geïntimeerden c.s.] van 2 december 2019;

  • -

    de memorie na enquête, tevens inbreng producties van [appellanten c.s.]

  • -

    de antwoord-memorie na enquête, tevens inbreng productie van [geïntimeerden c.s.]

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

9. De verdere beoordeling

9.1.1. In het tussenarrest van 18 juni 2019 heeft het hof een opsomming gegeven van de relevante feiten en van de uitgangspunten bij de beoordeling van dit geschil.

Vervolgens heeft het hof in rov. 6.6.1. aangegeven dat om te kunnen beoordelen wie de gevolgen dient te dragen van het door [appellanten c.s.] gestelde vochtprobleem, allereerst moet komen vast te staan óf er een dergelijk vochtprobleem - dat het normale gebruik van de woning als woonhuis verhinderde - aanwezig was bij de eigendomsoverdracht aan [appellanten c.s.] op 11 maart 2015, nu dit door [geïntimeerden c.s.] gemotiveerd wordt betwist.

Daarbij gaf het hof aan dat [appellanten c.s.] hiervan de bewijslast dragen en dat als zij niet in dit bewijs slagen, hun vorderingen zullen worden afgewezen. Deze bewijsopdracht is in het dictum genummerd (1).

9.1.2. Vervolgens heeft het hof uiteengezet wat de te nemen stappen zullen zijn, indien [appellanten c.s.] wél in het onder (1) opgedragen bewijs zullen slagen. Allereerst geldt dat [appellanten c.s.] dan ook zullen moeten bewijzen dat er op 14 december 2014 een vochtprobleem was (bewijsopdracht 2). Als [appellanten c.s.] ook in dit bewijs zouden slagen, dienen [geïntimeerden c.s.] te bewijzen dat [appellanten c.s.] het probleem ten tijde van de aankoop hadden kunnen onderkennen (bewijsopdracht 4). Slagen zij daarin, dan zal de vordering van [appellanten c.s.] ook worden afgewezen. Slagen zij daar niet in, dan mogen [geïntimeerden c.s.] nog bewijzen dat het vochtprobleem bestreken wordt door de contractuele ouderdomsclausule, in welk geval de vorderingen van [appellanten c.s.] eveneens zullen worden afgewezen (bewijsopdracht 5). Ten slotte, indien [geïntimeerden c.s.] wel zouden slagen in bewijsopdracht 4, dan kunnen [appellanten c.s.] nog bewijzen dat [geïntimeerden c.s.] op de hoogte waren van de vochtproblemen, maar daarover hun spreekplicht hebben geschonden (bewijsopdracht 3). In dat laatste geval worden de vorderingen van [appellanten c.s.] toegewezen.

Uit een oogpunt van proceseconomie zijn alle in dit verband aan beide partijen (mogelijk) te geven bewijsopdrachten in het dictum reeds verstrekt. De aan [appellanten c.s.] nader gegeven bewijsopdrachten zijn genummerd (2) en (3) en die aan [geïntimeerden c.s.] zijn genummerd (4) en (5).

9.1.3. Na overleg met partijen zijn de voorgedragen getuigen, zowel in enquête als in contra-enquête, slechts bevraagd over de bewijsopdrachten aan [appellanten c.s.] , genummerd (1) en (2), en zijn de overige bewijsopdrachten aangehouden.

9.1.4. Ter uitvoering van de bewijsopdrachten (1) en (2) hebben [appellanten c.s.] in enquête doen horen [de vader van appellante 2] , vader van appellante sub 2; [de makelaar] , makelaar; [de architect] , architect; [de timmerman] , timmerman; [de elektricien] , elektricien en [de loodgieter] , loodgieter. In contra-enquête hebben [geïntimeerden c.s.] zichzelf doen horen.

Bewijsopdracht 1: de getuigenverklaringen

9.2.1. Getuige [de vader van appellante 2] heeft over bewijsopdracht 1 onder meer verklaard:

Ik ben met mijn dochter en schoonzoon gaan kijken naar het huis voordat ze het huis aankochten. (..) Net voor ze naar de notaris gingen (op dezelfde dag of de dag ervoor, dat weet ik niet meer precies, in ieder geval voor de oplevering) ben ik er ook nog een keer geweest. Na het transport bij de notaris was ik er bijna elke dag. (..)

U vraagt of ik ’s ochtends voor het transport er nog geweest ben. Dat weet ik niet meer. Ik denk het wel. Ik weet het niet zeker. Nee, nee ik was er toen niet bij.

U vraagt of ik ’s middags op die dag nog mee geweest ben naar de woning. Ik zou het echt niet weten.

De eerste keer dat ik in het lege huis kwam, vond ik het donker, kil en vochtig. Dat moet ongetwijfeld kort na de aankoop zijn geweest, want we zijn gelijk begonnen met breken en ik hielp mee met de werkzaamheden. Als een huis goed gestookt is en geventileerd, dan ruik je niks, maar dit huis rook vochtig. De meubels waren eruit en aan de rechterkant waar nu de woonkamer/keuken is, was toen een soort badkamer en de muren waren helemaal nat aan de onderkant. Heel die muren waren vochtig. Ik rook het en ik zag een verkleuring op het stucwerk, het stucwerk was groen, een bacterie of alg die ontstaat door vocht. Ik zei tegen mijn dochter ‘wat heb je nu gekocht, je hebt een kat in de zak gekocht’.

9.2.2. Getuige [de makelaar] heeft over bewijsopdracht 1 onder meer verklaard:

U vraagt of ik aanwezig ben geweest bij de oplevering/eindinspectie. Ik ben daar altijd bij, maar over deze specifieke oplevering herinner ik me alleen dat het vroeg moest. Die oplevering gaat eigenlijk altijd relatief snel, het is een formaliteit, je neemt de meterstand op, je maakt de ronde door het pand en partijen praten wat met elkaar. Ik heb er dus geen specifieke herinneringen aan, er waren dan dus ook geen bijzonderheden, althans niet dat ik weet. (..)

Snel na het transport werd ik gebeld dat er problemen waren. Misschien was dat al wel de volgende dag. Van dat telefoongesprek met mevrouw [appellante] herinner ik me alleen nog dat zij zei dat er vochtproblemen waren en of ik kon komen kijken. En toen ben ik gaan kijken. Ik heb in de tussenruimte vlekken op de muur gezien, geelachtige vlekken. U vraagt mij of ik die toen voor het eerst zag. Ik denk het wel. Mijn gevoel was dat het allemaal niet zo schokkend was, dat idee had ik toen niet. Zoiets moet altijd verder uitgezocht worden, maar dat doe ik niet zelf.

Het is lastig om een onderscheid te maken tussen wat ik gelezen heb in de documenten en mijn echte eigen herinneringen. Wat ik weet is dat het de dag na de oplevering was en dat er volgens mij ook iets was met een stalen balk, maar of die toen al blootlag weet ik niet. Dat zal wel later zijn geweest. Mijn bezoek toen duurde ook niet zo lang. Ik ga ervan uit dat ik [geïntimeerde 1] daarna heb gebeld, maar dat kan ik me niet herinneren. Ik kan me niet herinneren dat er iets was met de vloer, wel herinner ik me die wand. U vraagt of ik toen nog andere waarnemingen heb gedaan. Ik denk dat ik aan de rechter zijgevel op het hoekje van de woonkamer/kelder iets op het stucwerk heb gezien, meer niet. Ik kan me niet herinneren dat het vochtig rook, ook niet tijdens de bezichtigingen. Die ruimte werd als zitkamer gebruikt. Wel moet ik zeggen dat ik slecht ruik. (..)

Mr. van den Boomen vraagt of die kwestie met de balk ook te maken had met het vochtprobleem. Dat weet ik niet meer, bij de verkoop was de balk omtimmerd. Maar waarom moest ik dan kijken naar de balk vraagt mr. van den Boomen. Dat was vanwege de relatie met het vochtprobleem. (..)

Ik ga ervan uit dat ik gevraagd ben om nog eens naar die balk te kijken. Ik ga niet uit mezelf terug. Dus moet er een probleem zijn geweest bij [appellanten c.s.] waarom ik door hen gevraagd ben om nog eens te kijken.”

9.2.3. Getuige [de architect] heeft over bewijsopdracht 1 onder meer verklaard:

Uit mijn agenda heb ik gehaald dat ik vóór de aankoop van de woning er twee keer ben geweest, op 19 januari en 11 februari 2015.

De eerste keer was ik er in mijn herinnering met een hele groep, mevrouw [appellante] was erbij, ik meen de makelaar en verder weet ik het niet meer. Ik was er om in te meten. Het huis was nog bewoond.

De tweede keer was ik alleen en mevrouw [geïntimeerde 2] was er om mij binnen te laten, het huis was leeg en opgeruimd. Ik kwam weer om in te meten. Ik kon dat ook allemaal terugzien aan de foto’s die ik gemaakt heb. Er stond een stofzuiger en misschien nog een doos of zoiets in de gang. Het huis was nagenoeg leeg.

Ik heb geen vochtprobleem waargenomen. Op de foto’s van het interieur die ik gemaakt heb is dat ook niet terug te zien. (..)

U vraagt mij wat ik mij kan herinneren van de muren en de vloeren. De muren en de vloeren zagen er netjes uit, dat is meestal zo als een huis wordt verkocht. U vraagt of ik hier nog iets aan toe te voegen heb wat betreft waarnemingen, maar dat is niet zo. (..)

Mr. van den Boomen vraagt mij of mij tijdens de tweede bezichtiging iets is opgevallen in het huis. Het enige is dat het koud was, het was een koude periode en het was in het huis ook erg koud. Mevrouw [geïntimeerde 2] was aan het opruimen en zij...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT