Uitspraak Nº 200.216.370_01. Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2020-07-28

Datum uitspraak:2020/07/28
Uitgevende instantie::Gerechtshof 's-Hertogenbosch
 
GRATIS UITTREKSEL
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.216.370/01

arrest van 28 juli 2020

in de zaak van

[de vennootschap 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. R.J. Laatsman te Oss,

tegen

[de vennootschap 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.H.A. Nieste te Roermond,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 23 oktober 2018 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer 5373706 \ CV EXPL 16-9066 gewezen vonnis van 15 februari 2017.

5 Het verloop van de procedure
5.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    het tussenarrest van 11 juli 2017, waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 21 september 2017;

  • -

    het proces-verbaal van de voortzetting van de comparitie van partijen, gehouden op 21 november 2017;

  • -

    de memorie van grieven met twee producties;

  • -

    de memorie van antwoord;

- het tussenarrest van 23 oktober 2018 waarbij het hof heeft bepaald dat partijen gelegenheid zal worden geboden voor pleidooi;

- het pleidooi, dat na twee aanhoudingen uiteindelijk gehouden is op 13 juli 2020.

5.2.

Volledigheidshalve stelt het hof vast dat zich in de aanloop naar het pleidooi het volgende heeft voorgedaan.

  • -

    Bij faxbericht van 2 juli 2020 heeft [appellante] , niet via haar advocaat, een standpunt ingenomen over het geschil en vier bijlagen aan het hof gezonden.

  • -

    Bij brief van 3 juli 2020 heeft de griffier van het hof aan [appellante] meegedeeld, samengevat, dat in hoger beroep verplichte procesvertegenwoordiging geldt en dat het hof alleen acht mag slaan op stukken die via een advocaat worden ingediend.

  • -

    Bij op 4 juli 2020 gedateerde maar pas op 6 juli 2020 aan het hof gezonden faxbericht heeft [appellante] meegedeeld, samengevat, dat zij sinds kort geen advocaat meer heeft en het hof verzocht het door haar ingezonden stuk van 2 juli 2020 met bijlagen toch te accepteren.

  • -

    De griffie van het hof heeft vervolgens eveneens op 6 juli 2020 telefonisch contact opgenomen met mr. Laatsman. Mr. Laatsman heeft toen meegedeeld dat hij nog steeds de advocaat van [appellante] is in deze zaak, maar dat hij voornemens is om geen werkzaamheden voor [appellante] meer te verrichten aangezien [appellante] zijn factuur niet wenst te betalen.

  • -

    Bij fax van eveneens 6 juli 2020 heeft de griffie van het hof vervolgens aan [appellante] meegedeeld, samengevat, dat het pleidooi op 13 juli 2020 zal doorgaan en dat [appellante] daarbij ook zonder aanwezigheid van haar advocaat haar standpunt kan toelichten. In de fax is voorts aan [appellante] meegedeeld dat zij zonder advocaat geen stukken kan indienen, dat de door haar bij fax van 2 juli 2020 ingezonden eerste drie bijlagen zich al in het procesdossier bevonden (als producties 6 en 7 bij de memorie van grieven en productie 2 bij de conclusie van antwoord) en dat [appellante] de inhoud van bijlage 4 wellicht in haar pleidooi kan verwerken zonder die bijlage over te leggen.

  • -

    Bij faxbericht van vrijdag 10 juli 2020, 16:38 uur, heeft [appellante] aan het hof, kort samengevat, verzocht om uitstel “nu wij zelf niet mogen pleiten en vertegenwoordigd dienen te zijn door een advocaat”.

  • -

    Bij faxbericht van zondagavond 12 juli 2020, 19:59 uur, heeft de statutair directeur van [appellante] aan het hof meegedeeld dat hij wegens gezondheidsredenen niet ter zitting kan verschijnen. De statutair directeur heeft tevens een pleitnota meegezonden en geschreven dat de griffier die pleitnota indien mogelijk zou kunnen voorlezen.

  • -

    Op 13 juli 2020 is van de zijde Van [appellante] niemand bij het pleidooi verschenen. Van de zijde van [geïntimeerde] zijn verschenen dhr. [statutair directeur van geintimeerde] , statutair directeur, mevr. [de manager van geintimeerde] , manager, en mr. Nieste voornoemd.

5.3.

Het hof constateert dat mr. Laatsman zich niet aan de zaak heeft onttrokken, zodat hij nog steeds advocaat van [appellante] is in deze zaak. Het hof constateert voorts dat mr. Laatsman niet om uitstel van het pleidooi heeft verzocht. Dat mr. Laatsman niet bij het pleidooi is verschenen, berust kennelijk, mede gelet op hetgeen hij op 6 juli 2020 desgevraagd telefonisch aan de griffie van het hof heeft meegedeeld, op een bewuste keuze. Mr. Laatsman heeft hierover overigens geen schriftelijk bericht naar het hof gezonden. Het hof ziet bij deze stand van zaken geen aanleiding om aan [appellante] nog een nieuwe gelegenheid te bieden voor het houden van een pleidooi.

5.4.

Het verzoek om uitstel dat is vervat in de fax van [appellante] van 10 juli 2020 brengt het hof niet tot een ander oordeel. Dat verzoek is niet via de advocaat van [appellante] aan het hof voorgelegd, zodat hof reeds om die reden geen acht mag slaan op het verzoek. Voor zover het hof desondanks zou mogen oordelen over het verzoek, geldt dat het verzoek niet op een klemmende reden berust. Het als grondslag voor het verzoek aangevoerde argument, inhoudende “nu wij zelf niet mogen pleiten en vertegenwoordigd dienen te zijn door een advocaat”, is onjuist aangezien [appellante] wel zelf (bij monde van haar statutair directeur of een ander gevolmachtigd medewerker van [appellante] ) mocht pleiten, zoals haar ook reeds bij faxbericht van 6 juli 2020 was meegedeeld door de griffie van het hof.

5.5.

In het faxbericht van 12 juli 2020 heeft [appellante] niet nogmaals met zoveel woorden een verzoek om uitstel van de zitting gedaan. Het hof ziet voor uitstel van de zitting ook geen aanleiding. Het standpunt van de statutair directeur dat hij om medische redenen niet kan komen is op geen enkele wijze onderbouwd. Bovendien had hij een andere medewerker van zijn bedrijf, bijvoorbeeld de ook bij de comparitie na aanbrengen verschenen bedrijfsleider, kunnen machtigen om bij het pleidooi namens [appellante] het woord te voeren. Van de door [appellante] toegezonden maar niet voorgedragen pleitnotitie heeft het hof geen kennis genomen. Dat zou neerkomen op het toelaten van een niet door de advocaat van [appellante] ingediend schriftelijk stuk, terwijl stukken alleen door een advocaat mogen worden ingediend.

5.6.

[geïntimeerde] heeft bij gelegenheid van het pleidooi haar standpunt kort toegelicht en arrest gevraagd. Het hof heeft vervolgens een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De beoordeling
6.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  • -

    Bij ongedateerde maar kennelijk in 2009 gesloten schriftelijke huurovereenkomst heeft [appellante] als verhuurder aan [geïntimeerde] als huurder met ingang van 15 juli 2009 de kantoorruimte en bijbehorende parkeerplaatsen, gelegen aan de [adres 1] te [vestigingsplaats 2] , verhuurd. Het hof zal deze huurovereenkomst hierna aanduiden als de huurovereenkomst van 2009. Het gehuurde betreft een gebouwde onroerende zaak in de zin van artikel 7:230a BW.

  • -

    In de huurovereenkomst van 2009 staat onder meer het volgende:

Duur, verlenging en opzegging

3.1

Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van 2 jaar, ingaande op 15-07-2009 en lopende tot en met 14-07-2011.

3.2.

Na het verstrijken van de in 3.1 genoemde periode wordt deze overeenkomst voortgezet voor een aansluitende periode van 3 jaar, derhalve tot en met 14-07-2014.

Deze overeenkomst wordt vervolgens voortgezet voor aansluitende perioden van telkens 5 jaar.

3.3.

Beëindiging van deze overeenkomst vindt plaats door opzegging tegen het einde van een huurperiode met inachtneming van een termijn van tenminste 3 maanden.

(…)”

  • -

    Na het verstrijken van de eerste huurperiode is de huur overeenkomstig artikel 3.2 van de huurovereenkomst van 2009 met ingang van 15 juli 2011 voor drie jaar voortgezet, dus voor de periode tot en met 14 juli 2014.

  • -

    Bij e-mail van 29 november 2013 heeft [statutair directeur van geintimeerde] , directeur van [geïntimeerde] , aan [de secretaresse van appellante] , secretaresse van [appellante] , het volgende meegedeeld:

“Ik zou graag een afspraak willen maken met de heer [de statutair directeur van appellante] . Ik zou namelijk het lopende huurcontract willen bespreken, waarbij de opzegtermijn ergens rond april 2014 ligt. Ik heb de intentie deze te verlengen met één jaar naar 2015.

Ik zou graag willen weten of dit tot de mogelijkheden behoort. Ik kan namelijk niet langer huren daar we bezig zijn met een fusie over verschillende bedrijven. Deze bedrijven eisen de ruimte om op mid-lange –termijn (1, 2, 3 jaar) samen te gaan op 1 locatie naar keuze . Zonder deze optie zou de fusie af kunnen ketsen.

Ik zie graag je snelle reactie of afspraak tegemoet zodat ik genoeg tijd heb om verstandig te kunnen handelen.

- Bij e-mail van 19 december 2013 heeft een directiesecretaresse van [geïntimeerde] aan genoemde [de secretaresse van appellante] onder meer het volgende meegedeeld:

“Van [statutair directeur van geintimeerde] heb ik begrepen dat dhr. [de statutair directeur van appellante] akkoord is gegaan met een aanpassing op de huurovereenkomst. I.p.v. een verlenging van 5 jaar mogen we huren tot 1 januari 2015 en daarna zien we verder. De overige voorwaarden blijven zo goed als gelijk.

Zou jij een aanpassing op de huurovereenkomst willen maken en naar ons toesturen?”

- [appellante] heeft vervolgens een aangepaste huurovereenkomst opgesteld. [appellante] heeft die concepthuurovereenkomst bij e-mail van 6 januari 2014 aan [geïntimeerde] toegezonden. In deze concepthuurovereenkomst staat...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT