Uitspraak Nº 200.220.185. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 2019-02-19

Datum uitspraak:19 februari 2019
Uitgevende instantie::Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
 
GRATIS UITTREKSEL
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.220.185/01

(zaaknummer rechtbank Gelderland 5087053\CV EXPL 16-2953

arrest van 19 februari 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Appellant] ,

gevestigd te [Woonplaats] ,

appellante in het hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [Appellant] ,

advocaat: mr. R.J. Verweij,

tegen:

1 [Geïntimeerde 1]

wonende te [Woonplaats] ,

2 [Geïntimeerde 2]

wonende te [Woonplaats] ,

3 [Geïntimeerde 3]

wonende te [Woonplaats] ,

geïntimeerden,

in hun hoedanigheid van erfgenamen van [Erflater] in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [Geïntimeerden c.s.] ,

advocaat: mr. A.L.E. Ritsema.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 20 mei 2016 en 12 mei 2017 die de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Nijmegen heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep
2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 11 juli 2017,

- de memorie van grieven met producties,

- de memorie van antwoord, met producties,

- de akte houdende uitlating wijzing (vermeerdering) van eis in hoger beroep, van [Appellant] ,

- de antwoordakte van [Geïntimeerden c.s.] .

2.2

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten
3.1.

Het hof gaat uit van de volgende feiten:

3.2.

[Erflater] (hierna: [Erflater] ) woonde in de haar in eigendom toebehorende woning in [Woonplaats] op het adres [Adres] (hierna: de woning). De heer [Directeur-grootaandeelhouder van appellant] (hierna: [Directeur-grootaandeelhouder van appellant] ) was haar achterbuurman. [Directeur-grootaandeelhouder van appellant] was directeur-grootaandeelhouder van [Appellant] .

3.3.

In 2011 heeft [Erflater] de onverdeelde helft van haar woning verkocht en geleverd aan [Appellant] .

3.4.

Bij brief van 14 september 2011 schreef [Broer erflater] (de broer van [Erflater] ) aan [Directeur-grootaandeelhouder van appellant] :

“[…] Als bijlage stuur ik u een voorbeeld van een huurcontract. Enkele zaken heb ik al ingevuld, maar u kunt dat uiteraard desgewenst wijzigen.

Het voorstellen van een huurprijs heeft mij iets meer hoofdbrekens gekost. Het probleem voor mij zat in het feit dat ik ü niet tekort wil doen, maar tevens mijn zus niet teveel wil laten betalen. Uiteindelijk heb ik een bedrag op het huurcontract ingevuld.

Dit bedrag is tot stand gekomen naar aanleiding van de volgende ovenweging. Uitgaande van 3,2% rente zou mijn zus ongeveer € 700,00 per maand moeten betalen. Met belastingvoordeel is dat ongeveer hetzelfde bedrag dat ze voorheem kwijt was, terwijl ze dan eigenaar van het gehele pand was.

Het bedrag is echter niet reëel, omdat er op geen enkele manier rekening wordt gehouden met de inflatie.

Bij een jaarlijkse inflatie van 2% (hetgeen absoluut niet te hoog is), zou uw geld in 10 jaar tijd 20% minder waard zijn geworden. Het is echter ondenkbaar dat in diezelfde periode het onroerend goed met 20% zou zijn gedaald. Hoewel de huizenmarkt op dit moment instabiel is, mag toch worden verwacht dat de stijging van onroerend goed voor de komende 10 jaren tenminste met de inflatie mee zal stijgen. Dit houdt dan weer in dat uw kapitaal nominaal in ieder geval zal stijgen.

Voor het rendement van uw geïnvesteerd vermogen zou een rente van 1,7% in werkelijk meer bedragen dan een kale rente van 3,2% op een spaarrekening.

Een huurprijs van € 375,00 per maand lijkt mij dan ook redelijk.

Uiteraard is dit een geheel vrijblijvend advies.[…]”

In de brief en het bijgevoegde huurcontract is het bedrag van € 375,00 met de hand doorgehaald en vervangen door het bedrag van € 575,00.

3.5.

De bijgevoegde schriftelijke (concept)huurovereenkomst is door [Directeur-grootaandeelhouder van appellant] , in de hoedanigheid van directeur van [Appellant] , getekend, maar niet door [Erflater] .

3.6.

Vervolgens heeft [Erflater] aan [Appellant] de volgende bedragen betaald:

in november 2011 € 1.150,00

in januari 2012 € 575,00

in maart 2012 € 1.150,00

in mei 2012: € 1.150,00

in juli 2012 € 575,00

in december 2012 € 4.025,00

Bij het in december 2012 betaalde bedrag van € 4.025,00 staat op het rekeningafschrift van [Appellant] als omschrijving:

[Adres]

[Postcode + woonplaats]

DIV HUUR

3.7.

Bij brief van 10 september 2015 schreef [X] , namens [Erflater] aan [Directeur-grootaandeelhouder van appellant] :

In 2011 is een akte gepasseerd […] waarbij een mondelinge overeenkomst tot verkoop en levering van de onverdeelde helft van het registergoed […] werd bestendigd.

[Erflater] heeft mij medegedeeld dat het destijds tussen partijen de bedoeling was dat zij tot de datum van overlijden in het pand zou kunnen blijven wonen, alsmede dat zij tot die datum geen huur zou betalen.

Uit de akte komt echter noch het een noch het ander naar voren. In de akte is met name op generlei wijze neergelegd dat [Erflater] kosteloos in de woning zou mogen verblijven tot de datum van haar overlijden.

Aangezien de intentie van u beiden gericht lijkt te zijn geweest op de omstandigheid dat [Erflater] tot haar overlijden kosteloos aan de [Adres] zou wonen, en dat in de huidige constructie – indien u zou vooroverlijden of de BV zou overdragen – niet gerealiseerd zal worden, heb ik [Erflater] aangeraden samen met u en de notaris naar wegen te zoeken om het beoogde doel alsnog te realiseren.

Hierbij valt te denken aan het alsnog vestigen van een recht van vruchtgebruik / gebruik en bewoning of het alsnog opmaken van een huurovereenkomst, waarbij [Erflater] niet zozeer zal worden verplicht tot het betalen...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT