Uitspraak Nº 200.242.118_01. Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2020-07-28

Datum uitspraak:2020/07/28
Uitgevende instantie::Gerechtshof 's-Hertogenbosch
 
GRATIS UITTREKSEL
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.242.118/01

arrest van 28 juli 2020

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als: [appellante],

advocaten: mr. M. Goorts te Eindhoven en mr. A.A. Korolev te Eindhoven,

tegen

de vennootschap naar Zweeds recht

[de vennootschap naar Zweeds recht] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] , Zweden,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M.A.J. Brouwers te ’s-Hertogenbosch,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen vonnis van 30 mei 2018, tussen [appellante] als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en [geïntimeerde] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/235394 / HA ZA 17-259)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis.

2 Het geding in hoger beroep
2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep van 11 juni 2018;

  • -

    het tegen [geïntimeerde] verleende verstek;

  • -

    het anticipatie-exploot van [geïntimeerde] , waarbij het verstek gezuiverd is en mr. Brouwers zich voor [geïntimeerde] heeft gesteld;

  • -

    de memorie van grieven, tevens houdende akte wijziging van eis, met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;

  • -

    de akte tevens houdende akte wijziging van de zijde van [geïntimeerde] , met producties;

  • -

    de antwoordakte van de zijde van [appellante] , met producties.

2.2.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op

bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

De vaststaande feiten

3.1.

[geïntimeerde] exploiteert in Zweden een fok-, trainings-, en handelsstal in springpaarden. Bestuurder van en aandeelhouder in het kapitaal van [geïntimeerde] was de heer [bestuurder en aandeelhouder in het kapitaal van geintimeerde] (hierna: [bestuurder en aandeelhouder in het kapitaal van geintimeerde] ). [bestuurder en aandeelhouder in het kapitaal van geintimeerde] is op 20 april 2017 overleden.

3.2.

[appellante] , een paardenliefhebster, en [bestuurder en aandeelhouder in het kapitaal van geintimeerde] waren bevriend. Zij hebben zaken met elkaar gedaan in de paardenwereld.

3.3.

[geïntimeerde] en [appellante] zijn gezamenlijk eigenaar geworden van het paard [het paard 1]

(hierna: [het paard 1] of het paard), en wel ieder voor de helft. Op 11 december 2008 heeft [appellante] daartoe aan [geïntimeerde] € 15.000,00 voor haar eigendomsdeel betaald.

3.4.

[bestuurder en aandeelhouder in het kapitaal van geintimeerde] en [appellante] , via haar vennootschap [de vennootschap 1] (hierna: [de vennootschap 1] ), hebben in 2013 in Nederland een besloten vennootschap opgericht, [de vennootschap 2] (hierna: [de vennootschap 2] ). [de vennootschap 2] was bestuurder en aandeelhouder van [de vennootschap 3] (hierna: [de vennootschap 3] ).

3.5.

In december 2014 is [het paard 1] - zoals [geïntimeerde] stelt - geruild voor het paard [het paard 2] (hierna: [het paard 2] of het paard) dan wel - zoals [appellante] stelt - verkocht aan een derde, waarna van de verkoopopbrengst enige dagen later [het paard 2] is gekocht.

3.6.

Op 1 juli 2016 is [het paard 2] verkocht aan de heer [de koper van het paard 2] (hierna: [de koper van het paard 2] ), ruiter van [de vennootschap 4] te [vestigingsplaats] (hierna: [de vennootschap 4] ), althans geruild voor diens paard [het paard 3] (hierna: [het paard 3] ), onder de bepaling dat de dochter van [appellante] , [de dochter van appellante] (hierna: de dochter), 30% van de netto-winst ontvangt bij verkoop van [het paard 2] door [de koper van het paard 2] .

3.7.

Op of omstreeks 31 augustus 2016 heeft [appellante] , via [de vennootschap 1] , de door [bestuurder en aandeelhouder in het kapitaal van geintimeerde] in het kapitaal van [de vennootschap 2] gehouden aandelen in eigendom overgenomen.

3.8.

Op 18 april 2017 heeft [geïntimeerde] ten laste van [appellante] conservatoir deelgenotenbeslag op [het paard 2] en diens paspoort laten leggen onder [de koper van het paard 2] en [de vennootschap 4] .

3.9.

Op 13 juli 2018 heeft [geïntimeerde] ten laste van [appellante] conservatoir beslag laten leggen op aan [appellante] in eigendom toebehorende onroerende goederen.

Eerste aanleg

3.10.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg, na eiswijziging, gevorderd, kort gezegd:

i) te verklaren voor recht dat er tussen partijen een gemeenschap bestaat met betrekking tot [het paard 2] en diens paspoort, waarbij [geïntimeerde] en [appellante] ieder voor de helft eigenaar zijn;

ii) een onafhankelijk erkend dierenarts te benoemen, die de veterinaire gesteldheid

en conditie van [het paard 2] moet vaststellen en een onafhankelijk erkend taxateur te benoemen, die de onderhandse verkoopwaarde van [het paard 2] moet vaststellen;

iii) primair en subsidiair: de gemeenschap te verdelen ex artikel 3:185 lid 2 sub b BW, waarbij [het paard 2] en het paspoort toebedeeld worden primair aan [geïntimeerde] tegen vergoeding van de overwaarde aan [appellante] , subsidiair aan [appellante] tegen vergoeding van de overwaarde aan [geïntimeerde] , te vermeerderen met de wettelijke rente, meer subsidiair de gemeenschap te verdelen ex artikel 3:185 lid 2 sub c BW, door verkoop van [het paard 2] onder verdeling van de netto-opbrengst en meest subsidiair [appellante] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding aan [geïntimeerde] , bestaande uit de helft van de koopsom die zij ontvangen heeft van [de koper van het paard 2] , te vermeerderen met aanvullende schadevergoeding mocht [het paard 2] voor een bedrag minder dan de door een taxateur bepaalde onderhandse verkoopwaarde verkocht zijn aan [de koper van het paard 2] , te vermeerderen met de wettelijke rente;

iv) met veroordeling van [appellante] in de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten, waaronder begrepen de nakosten en de kosten van de beslaglegging, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.11.

[appellante] heeft verweer gevoerd. Ook heeft [appellante] een vordering in reconventie ingesteld en, kort gezegd, opheffing gevorderd van de gelegde deelgenotenbeslagen. Verder heeft zij, voor het geval de vorderingen van [geïntimeerde] (deels) worden toegewezen, kort gezegd, gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot i) betaling van € 25.200,00 aan kosten voor de paarden en ii) terugbetaling van de leningen van [appellante] en/of [de vennootschap 1] aan [geïntimeerde] en/of [bestuurder en aandeelhouder in het kapitaal van geintimeerde] ten bedrage van 200.000,00 Zweedse Kronen (SEK), te vermeerderen met de wettelijke rente. Een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de proces- en nakosten.

3.12.

[geïntimeerde] heeft tegen de vordering van [appellante] verweer gevoerd.

3.13.

Op 5 december 2017 is een comparitie van partijen gehouden. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

3.14.

Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank in conventie, kort gezegd, overwogen en geoordeeld als volgt. Partijen hadden op 24 december 2014 de gemeenschappelijke eigendom van [het paard 1] . [het paard 2] is vervolgens gekocht van de gemeenschappelijke opbrengst van [het paard 1] . Daarmee heeft [het paard 2] als gemeenschappelijk eigendom van partijen te gelden. [het paard 2] is verkocht aan [de koper van het paard 2] , althans geruild voor [het paard 3] door [de koper van het paard 2] , die daarbij te goeder trouw heeft gehandeld. De vorderingen tot keuring van [het paard 2] en tot verdeling van de eigendom van [het paard 2] liggen daarmee voor afwijzing gereed. De vordering tot vergoeding van de helft van de koopsom van [het paard 2] ligt voor toewijzing gereed, nu [appellante] [het paard 2] zonder medeweten van [geïntimeerde] heeft verkocht aan [de koper van het paard 2] en daarmee onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld. Omdat de waarde van [het paard 2] ten tijde van de verkoop onbekend is, zal de rechtbank een deskundige benoemen om die waarde te bepalen. De vordering tot betaling van aanvullende schadevergoeding zal worden afgewezen, omdat gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] dergelijke schade zou hebben geleden. In reconventie heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen en geoordeeld als volgt. De vordering tot opheffing van het beslag ligt, gelet op het vorenstaande, voor toewijzing gereed. [geïntimeerde] dient in beginsel de helft van de kosten van de paarden te voldoen. Zij was immers (voor de helft) eigenaar van deze paarden. De rechtbank begroot het door [geïntimeerde] te betalen bedrag aan kosten op (63 maanden x € 300,00 = € 18.900,00 verminderd met 17 maanden x

€ 600,00 = € 10.200,00 =) € 8.700,00.

De rechtbank heeft in conventie de zaak naar de rol verwezen om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de te benoemen deskundige en de hoogte van het aan de deskundige te betalen voorschot. In reconventie heeft de rechtbank [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van € 8.700,00 aan [appellante] . Iedere verdere beslissing, in conventie en in reconventie, heeft de rechtbank aangehouden.

3.15.

Per faxberichten van 1 juni 2018 en 8 juni 2018 heeft [geïntimeerde] vervolgens aan de rechtbank verzocht i) haar veroordeling tot betaling van € 8.700,00 uit het vonnis te verwijderen en de beslissing in de (voorwaardelijke) reconventie aan het houden...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT