Uitspraak Nº 200.245.835/01. Gerechtshof Amsterdam, 2020-07-14

Datum uitspraak:14 juli 2020
Uitgevende instantie::Gerechtshof Amsterdam
 
GRATIS UITTREKSEL
GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.245.835/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam: C/13/629475 / HA ZA 17-542

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 juli 2020

inzake

LISDWINA BEHEER B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

advocaat: mr. F.C. Schirmeister te Amsterdam,

tegen:

ABN AMRO VERZEKERINGEN B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.M.H.W. Bindels te Arnhem.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Lisdwina en ABN Amro genoemd.

Lisdwina is bij dagvaarding van 17 juli 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 april 2018, onder het hierboven genoemde zaak-/rolnummer zoals dat is gewezen tussen haar als eiseres en ABN Amro als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Lisdwina heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog haar in hoger beroep voorwaardelijk aangevulde eis zal toewijzen, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van ABN Amro in de proceskosten, vermeerderd met nasalaris en wettelijke rente.

ABN Amro heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van Lisdwina in de proceskosten, vermeerderd met rente en nakosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.7 feiten opgesomd die tussen partijen vaststaan. In de memorie van antwoord, onder 3.9 en 4.27, is door ABN Amro erop gewezen dat zij reeds in eerste aanleg heeft aangevoerd dat alleen van het gebouw een taxatierapport is opgemaakt en niet tevens van de inventaris. Hiermee zal bij het navolgende overzicht van de feiten rekening worden gehouden. Voor het overige zijn de door de rechtbank opgesomde feiten in hoger beroep niet in geschil, zodat het hof daarvan als vaststaand zal uitgaan. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1.

Lisdwina exploiteerde in een demontabel bedrijfspand een horecagelegenheid in Amsterdam, bekend als Paviljoen [naam paviljoen] .

2.2.

ABN Amro is een assurantietussenpersoon.

2.3.

Lisdwina heeft via bemiddeling van ABN Amro bij ABN Amro Schadeverzekering N.V. een ABN Amro Bedrijfspolis gesloten (hierna: de bedrijfspolis). In eerste aanleg was ABN Amro Schadeverzekering medegedaagde van ABN Amro.

2.4.

De bedrijfspolis biedt onder meer dekking voor schade aan gebouwen en inventaris. Van het paviljoen is door Benjamins & Benjamins Taxateurs (hierna: B&B) in 2005 getaxeerd op een bedrag van € 475.000. Dit bedrag is als verzekerde som voor gebouwen vermeld op het polisblad van de bedrijfspolis. Op het polisblad staat dat het taxatierapport geldig is tot 30 augustus 2011. De inventaris is verzekerd voor een bedrag van € 35.000.

2.5.

Onder meer als gevolg van ernstige ziekte van mevrouw [X] (hierna: [X] ), bestuurder van Lisdwina, is de exploitatie van het paviljoen met ingang van 31 mei 2012 beëindigd. Het paviljoen is gedemonteerd en opgeslagen in een trailer.

2.6.

Op 5 maart 2013 is door ABN Amro Schadeverzekering een nieuw polisblad voor de bedrijfspolis afgegeven. Hierop is de verzekerde geïndexeerde waarde van het paviljoen en de inventaris vermeld van € 583.700, respectievelijk € 98.200. Op het clausuleblad is vermeld dat de verzekeraar ermee bekend is dat zowel het gebouw als de inventaris zich bevinden op een oplegger. Op het clausuleblad is vermeld dat het gebouw een afwijkende bouwaarde heeft: “Het gebouw is in operationele toestand vervaardigd uit een constructie van staal met houten kozijnen rondom, houten sporenkap met zink en dubbelwandig kunstoffenplaten gedekt”.

2.7.

Op 8 juli 2013 is de trailer gestolen, met daarin het gedemonteerde paviljoen en de inventaris.

2.8.

Blijkens het polisblad zijn op de bedrijfspolis voor de gebouwen van toepassing de Specifieke Verzekeringsvoorwaarden Gebouwen (SVGEB 2006) en voor de inventaris de Specifieke Verzekeringsvoorwaarden Inventaris/goederen (SVINH-2006).

2.9.

Op basis van artikel 3.2 van de toepasselijke Algemene Verzekeringsvoorwaarden ABN AMRO Bedrijfspolis (AVABP-2011) – waarin is bepaald dat de schade wordt vastgesteld door experts en, als deze niet tot overeenstemming komen, bindend door een derde expert – hebben ABN Amro Schadeverzekering en Lisdwina respectievelijk EMN Expertise en B&B benoemd. Door de beide experts is [A] als derde-expert benoemd.

2.10.

Op 24 augustus 2016 hebben de wederzijdse experts een akte van disakkoord opgesteld en ondertekend. [A] heeft als derde-expert bij akte van 13 april 2016 de schade aan het gebouw vastgesteld op € 155.000 op basis van herbouwwaarde en € 65.000 op basis van verkoopwaarde. De schade aan de inventaris is door hem vastgesteld op € 33.750 op basis van dagwaarde.

2.11.

ABN Amro Schadeverzekering is overeenkomstig de taxatie van de derde-expert tot uitkering aan Lisdwina overgegaan. Ten aanzien van het paviljoen is uitgekeerd op basis van verkoopwaarde.

3 Beoordeling

De vordering tegen ABN Amro

3.1.

Lisdwina vordert in dit geding dat voor recht wordt verklaard dat ABN Amro is tekortgeschoten in haar zorgplicht jegens Lisdwina en is gehouden de door Lisdwina geleden en nog te lijden schade te vergoeden, nader op te maken bij staat.

3.2.

Aan haar vordering tegen ABN Amro legt Lisdwina kort gezegd ten grondslag dat zij erop mocht vertrouwen dat bij diefstal de bedragen zouden worden uitgekeerd zoals die op het polisblad van de bedrijfspolis staan vermeld en die zijn terug te voeren op de jarenlange vaste taxatie van het paviljoen en de inventaris. ABN Amro heeft Lisdwina niet geadviseerd een nieuwe voortaxatie uit te laten voeren toen de eerdere taxatie was verlopen. Als Lisdwina wel daartoe was geadviseerd, zou zij een voortaxatie hebben laten opmaken en zou zij na de diefstal een hogere uitkering onder de bedrijfspolis hebben verkregen.

De...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT