Uitspraak Nº 200.248.973/01. Gerechtshof Amsterdam, 2020-01-07

Datum uitspraak: 7 januari 2020
Uitgevende instantie::Gerechtshof Amsterdam
 
GRATIS UITTREKSEL
GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.248.973/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland: C/15/261495 / HA ZA 17-517

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 januari 2020

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

tevens geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J. Streefkerk te Voorburg,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

tevens appellant in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. F.W. Brugman te Wognum.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 17 oktober 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, van 18 juli 2018 gewezen onder bovenvermeld zaak- en rolnummer tussen hem als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met een productie;

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, met een productie;

- memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.

Op 28 oktober 2019 is een zitting gehouden waar de partijen met hun hiervoor genoemde advocaten aanwezig zijn geweest. De advocaten hebben een pleidooi gehouden en daarbij gebruik gemaakt van pleitnotities die zij aan het hof hebben gegeven. Verder heeft het hof de zaak met partijen besproken en verschillende vragen gesteld. Beide partijen hebben het hof en hun wederpartij voorafgaand aan de zitting nog een stuk toegestuurd (productie 8 van [appellant] en productie VIII van [geïntimeerde] ). Tijdens de zitting is de zaak enige tijd geschorst geweest om partijen de gelegenheid te geven te proberen tot een schikking te komen. Een minnelijk regeling is niet tot stand gekomen. Aan het eind van de zitting hebben partijen het hof gevraagd de zaak voor de duur van twee weken aan te houden om te proberen alsnog een schikking te bereiken. Op de rol van 12 november 2019 is meegedeeld dat geen schikking is bereikt en is het hof gevraagd om bij arrest uitspraak in deze zaak te doen.

[appellant] concludeert tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank en tot afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties.

[geïntimeerde] concludeert in het principaal hoger beroep tot bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank. In voorwaardelijk incidenteel hoger beroep vordert [geïntimeerde] dat het vonnis ten aanzien van het vastgestelde percentage aansprakelijkheid wordt vernietigd en dat bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, dit percentage zal worden vastgesteld op 75, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

In het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep heeft [appellant] geconcludeerd tot verwerping van de grief van [geïntimeerde] .

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.9 de feiten opgesomd die tussen partijen vaststaan. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat het hof daarvan als vaststaand zal uitgaan, aangevuld met andere feiten die niet of onvoldoende zijn betwist. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1.

Op vrijdag 10 december 2010 vanaf circa 17:00 uur hadden circa 14 werknemers van pannendekkersbedrijf [X] een afscheidsfeest van een collega in de bedrijfskantine.

2.2.

Onder de aanwezigen waren [geïntimeerde] en [A] (hierna: [A] ). [geïntimeerde] en [A] hebben verklaard op het feest 10, respectievelijk 8 à 10 flesjes bier te hebben gedronken.

2.3.

[appellant] , een vriend van [A] , is met een auto naar het feest gereden om [A] op te halen omdat hij had gedronken. [appellant] kwam om ongeveer 21:45 uur ter plaatse aan.

2.4.

[appellant] had vuurwerk van het type “Cobra 6” bij zich. Het is op grond van het Vuurwerkbesluit verboden dit soort vuurwerk te bezitten.

2.5.

[appellant] heeft na zijn aankomst ter plaatse buiten aan [A] een Cobra 6 laten zien. [A] heeft dit vuurwerk uit de handen van [appellant] gepakt, waarna [appellant] en [A] samen naar binnen zijn gegaan, waar het feest nog gaande was.

2.6.

In de bedrijfskantine is het stuk vuurwerk in handen gekomen van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft het vuurwerk binnen aangestoken en slaagde er niet in dit tijdig naar buiten te gooien, waarna het in zijn hand is geëxplodeerd. [geïntimeerde] heeft door de explosie een groot deel van zijn rechterhand verloren. [geïntimeerde] is volledig arbeidsongeschikt verklaard.

2.7.

Bij vonnis van de politierechter te Alkmaar van 13 juli 2012 is [appellant]...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT