Uitspraak Nº 200.251.452. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 2020-04-30

Datum uitspraak:30 april 2020
Uitgevende instantie::Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
 
GRATIS UITTREKSEL
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.251.452

(zaaknummer rechtbank Gelderland 334195)

beschikking van 30 april 2020

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats 1] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. H.J.M. van Arkel-van Gasselt te Nijmegen,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A. Oosterhuis-Boeve te Arnhem.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikking van 23 juli 2019, hersteld bij beschikking van 19 september 2019;

- de akte vermeerdering verzoek van de man (30 augustus 2019);

- het verweer tegen de vermeerdering van het verzoek van de vrouw (7 oktober 2019);

- het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 28 november 2019;

- de akte na enquête van de man (10 januari 2020);

- de antwoordakte na enquête van de vrouw (11 februari 2020);

- de akte reactie producties van de man (21 februari 2020).

2 De verdere motivering van de beslissing

'rechterswisseling'

2.1

De raadsheer die de getuigen als raadsheer-commissaris heeft gehoord was niet een van de raadsheren die de tussenbeschikking van 23 juli 2019 en de herstelbeschikking van 19 september 2019 hebben gegeven. Bij de afsluiting van het getuigenverhoor heeft de raadsheer-commissaris bepaald dat een beschikking zal worden gegeven door een combinatie waarvan de raadsheer-commissaris deel zal uitmaken. Een van de raadsheren die de tussenbeschikking en herstelbeschikking hebben gegeven is niet langer raadsheer bij het hof. De raadsheer-commissaris neemt aldus zijn plaats in. Er is dus sprake van een rechterswisseling, waarvan aan partijen mededeling is gedaan. Partijen hebben vervolgens niet gevraagd om een nieuwe mondelinge behandeling ten overstaan van de raadsheren door wie een beslissing zal worden gegeven over de vraag of de vrouw samenwoont met de partner als waren zij gehuwd. Op dat punt zal het hof in deze beschikking dan ook beslissen. Het hof zal vanwege de 'rechterswisseling' nog wel iedere verdere beslissing aanhouden en een nieuwe mondelinge behandeling bepalen ten overstaan van de raadsheren die ook deze beschikking geven en die ook de eindbeschikking zullen geven. Partijen krijgen op die mondelinge behandeling de gelegenheid de geschilpunten waarop daarna nog moet worden beslist toe te lichten en hun stellingen aan te passen aan de actuele situatie. Voor de regels over 'rechterswisselingen' wordt verwezen naar HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:472.

Grief I: woont de vrouw samen met haar partner als waren zij gehuwd?

2.2

De man mag bewijs leveren van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de vrouw samenwoont met [de partner] (hierna ook: de partner) als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW) (beschikking van 23 juli 2019, rov. 5.1-5.3). De man heeft als getuigen doen horen: de vrouw, zichzelf, de moeder van de vrouw en de partner van de vrouw.

2.3

Zowel de man als de vrouw hebben bij hun akten na het getuigenverhoor besproken of de man geslaagd is in zijn bewijsopdracht. Zij hebben elk ook nog schriftelijke bewijsstukken overgelegd en gereageerd op de bewijsstukken van de ander. Er is geen reden op deze bewijsstukken geen acht te slaan. Van strijd met de eisen van een goede procesorde is anders dan de vrouw vindt niet gebleken.

2.4

Is de man erin geslaagd te bewijzen dat de vrouw en de partner elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren (rov. 5.3 van de tussenbeschikking van 23 juli 2019)? Daarvoor is van belang wat is komen vast te staan.

samenwonen

...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT