Uitspraak Nº 200.254.165_01 en 200.254.168_01. Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2019-12-05

Datum uitspraak: 5 december 2019
Uitgevende instantie::Gerechtshof 's-Hertogenbosch
 
GRATIS UITTREKSEL

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummers : 200.254.165/01 en 200.254.168/01

zaaknummer rechtbank : C/01/317747 / FA RK 17-743

beschikking van de meervoudige kamer van 5 december 2019

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. L.H.M. Zonnenberg te ’s-Hertogenbosch,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E.E. Frenken te Boxmeer.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant (’s-Hertogenbosch) van 7 november 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep
2.1.

De vrouw is op 6 februari 2019 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking.

2.2.

De man heeft op 21 maart 2019 een verweerschrift tevens vermeerdering/wijziging verzoek tevens incidenteel hoger beroep met prod. 54 t/m 63 ingediend.

2.3.

De vrouw heeft op 2 mei 2019 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep met bijlagen 8 t/m 12 ingediend.

2.4.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 27 september 2018;

van de zijde van vrouw:

- een journaalbericht van 11 oktober 2019 met bijlagen 8 t/m 17, ingekomen op 11 oktober 2019;

- een journaalbericht van 17 oktober 2019 met bijlagen 18 t/m 20, ingekomen op 17 oktober 2019.

van de zijde van de man:

- een journaalbericht van 8 oktober 2019 met prod. 64 t/m 87, ingekomen op 9 oktober 2019;

- een journaalbericht van 14 oktober 2019 met prod. 76 en 88, ingekomen op 15 oktober 2019;

- een journaalbericht van 17 oktober 2019 met prod. 89, ingekomen op 18 oktober 2019;

- een journaalbericht van 21 oktober 2019 met prod. 90, ingekomen op 21 oktober 2019.

2.5.

De alimentatiekwestie en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden zijn afgesplitst en ingeschreven onder de zaaknummers 200.254.165/01 (alimentatie) en 200.254.168/01 (afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden). De zaken zijn gevoegd behandeld.

2.6.

De mondelinge behandeling heeft op 23 oktober 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de vrouw bijgestaan door mr. Zonnenberg en mr. R.A.M. Verlijsdonk, de man bijgestaan door mr. Frenken. De advocaten van beide partijen hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

3 De feiten
3.1.

De rechtbank heeft vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze door de rechtbank vastgestelde feiten vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van de relevante feiten.

3.1.1.

Partijen zijn op 11 mei 1990 gehuwd na het maken van huwelijkse voorwaarden.

De huwelijkse voorwaarden bepalen onder meer het volgende:

Artikel 7.

1. De jaarlijkse kosten van de gemeenschappelijke huishouding, waaronder begrepen de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen, die tot het gezin van de echtgenoten behoren, zijn voor rekening van de echtgenoten in evenredigheid tot ieders jaarlijks inkomen voorzover deze kosten uit de betreffende inkomens kunnen worden gedekt. Kunnen deze kosten niet uit de inkomens worden gedekt, dan wordt het restant gedragen naar evenredigheid van ieders vermogen aan het begin van het kalenderjaar.

2. Onder inkomen wordt verstaan:

a. winst uit onderneming, stakingswinsten daaronder begrepen, maar overlijdenswinst en waardeveranderingen van cultuurgronden (met inbegrip van eventuele produktierechten daarop) uitdrukkelijk daarvan uitgezonderd; en

b. zuivere inkomsten uit arbeid, uit vermogen of in de vorm van bepaalde periodieke uitkeringen en verstrekkingen;

en

c. waardeveranderingen, ontstaan tijdens het huwelijk van rechten op het vermogen van naamloze en besloten vennoot schappen waarin bij voortduring een economisch belang wordt gehouden van meer dan vijftig procent.

Voor de bepaling van de omvang van dit: inkomen wordt voor zoveel mogelijk aangesloten aan de regels van ‘s-Rijksbelastingwetgeving,

3. Zolang de gemeenschappelijke huishouding tussen de echtgenoten bestaat, is ieder der echtgenoten verplicht in verhouding tot zijn in artikel 5. bedoelde draagplicht voldoende gelden ter beschikking te stellen voor het voeren van de gewone gang van de huishouding.

4. Onder kosten van de huishouding worden onder andere begrepen alle dagelijkse uitgaven welke passen in het leefpatroon van de echtgenoten, alsmede de uitgaven terzake van de verwerving van huishoudelijke inboedelgoederen, gebruikelijke verzekeringen (waaronder premies voor volkeverzekeringen) en gezamenlijke vakanties, huurtermijnen aangaande de buur van de echtelijke woning, de rentetermijnen met betrekking tot geldleningen welke ter financiering van de echtelijke woning worden aangehouden, de belastingen en heffingen welke verband houden met de echtelijke woning.

VERREKENPLICHT.

Artikel 8.

Indien in enig kalenderjaar de bijeengetelde inkomens van beide echtgenoten meer bedragen dan EENHONDERD DUIZEND GULDEN, (f 100.000,--), dan leidt dit tot het navolgende verrekenbeding.

Het hiervoor gemelde bedrag ad eenhonderd duizend gulden, (f 100.000,--), wordt met ingang van de eerste dag van het tweede en van elk volgend kalenderjaar verhoogd of verlaagd overeenkomstig de stijging of daling, welke het totaal prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie, reeks voor werknemersgezinnen met een inkomen beneden de grens van de verplichte sociale verzekeringen, door het C.B.S. vastgesteld op de meest recente tijdsbasis, vertoont ten opzichte van het overeenkomstige cijfer van een jaar daarvoor.

Hiertoe wordt het tot de datum van aanpassing geldende bedrag vermenigvuldigd met een factor welke wordt verkregen door het bovengenoemde prijsindexcijfer van de maand eindigend twee maanden voor de datum van aanpassing van het bedrag te delen door het prijsindexcijfer van de overeenkomstige maand van een jaar daarvoor en deze factor af te ronden op drie decimalen.

l. Indien blijkt dat over enig kalenderjaar de afzonderlijke inkomens van de echtgenoten niet geheel zijn aangewend voor de door de betreffende echtgenoot te dragen belastingen naar het inkomen en kosten van de huishouding, dan worden de overschotten bijeengevoegd en vervolgens tussen de echtgenoten bij helfte verdeeld.

2. Indien de gemeenschappelijke huishouding feitelijk ophoudt te bestaan, een echtgenoot surséance van betaling heeft aangevraagd, een echtgenoot in staat van faillissement is verklaard of indien het gehele vermogen van een echtgenoot onder bewind is gesteld, eindigt prompt de verplichting tot verrekening.

Deze verplichting treedt wederom in werking indien de gemeenschappelijke huishouding is hersteld, de surséance is opgeheven, het accoord terzake van faillissement is gehomologeerd of het bewind is opgeheven.

VORDERING

Artikel 10.

In alle gevallen waarin gewichtige redenen, waaronder een redelijke financiering van het beroep of bedrijf, zich verzetten tegen prompte uitkering in contanten van hetgeen op grond van deze voorwaarden verschuldigd is, zijn de echtgenoten gehouden mede te werken aan het treffen van een redelijke betalingsregeling waarbij de belangen van beide echtgenoten in acht worden genomen.

De schuldig gebleven som is alleen dadelijk en in zijn geheel opeisbaar ingeval van faillissement van of aanvrage om surséance van betaling door de schuldenaar, bij het staken van de uitoefening van zijn bedrijf, waarin de gelden zijn belegd en bij ontbinding van het huwelijk of indien het vonnis tot scheiding van tafel en bed in kracht van gewijsde is gegaan, of indien krachtens rechterlijk vonnis het bestuur over de goederen aan de andere echtgenoot is opgedragen.

ADMINISTRATIE

Artikel 11.

Hetgeen de echtgenoten jaarlijks een elkander verschuldigd zijn of worden op grond van hun draagplicht of verrekenplicht wordt zo spoedig mogelijk na afloop van ieder kalenderjaar vastgesteld. Daarbij wordt zo veel als mogelijk het kasstelsel gehanteerd. Wordt nagelaten om deze verplichtingen vast te stellen dan vervalt het recht op vordering tot vereffening van de uit de draagplicht of verrekenplicht voortvloeiende verplichtingen door een tijdsverloop van vijf jaar na het ontstaan van die verplichtingen.”

3.1.2.

Partijen hebben op 11 juni 1999 een vaststellingsovereenkomst gesloten over de verrekening uit hoofde van de huwelijkse voorwaarden over de periode vanaf 11 mei 1990 (aanvang huwelijk) tot en met 1996.

3.1.3.

Op 31 oktober 2000 heeft de man twee percelen cultuurgrond van 2.74.00 ha (hierna: de cultuurgronden) aangekocht.

Van die grond is op 6 juni 2002 een perceel van 1.03.50 ha overgedragen aan de heer [derde] en op 2 februari 2005 een perceel van 0.95 ha overgedragen aan de vader van de man (productie 41 man eerste aanleg).

3.1.4.

Op 27 december 2002 heeft de man op zijn naam een lijfrentepolis afgesloten voor een bedrag van € 106.922,--.

3.1.5.

De man heeft op 10 februari 2017 een verzoek tot echtscheiding ingediend.

3.1.6.

Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 6 maart 2019 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.1.7.

Partijen zijn de ouders van:

- [kind 1] , geboren op [geboortedatum] 1991 (hierna: ( [kind 1] ),

- [kind 2] , geboren op [geboortedatum] 1993 (hierna: [kind 2] ) en

- [kind 3] , geboren op [geboortedatum] 1996 (hierna: [kind 3] ), (hierna samen ook: de kinderen).

4 De omvang van...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT