Uitspraak Nº 200.257.393. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 2020-07-28

Datum uitspraak:2020/07/28
Uitgevende instantie::Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
 
GRATIS UITTREKSEL
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.257.393

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 301816)

arrest van 28 juli 2020

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. M.P.L.M. Buijsrogge,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

eiser in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser in conventie, verweerder in reconventie,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. B. Anik.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 21 mei 2019 hier over. De bij dat arrest bepaalde comparitie van partijen is op gezamenlijk verzoek van hen niet doorgegaan.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord tevens incidenteel appel, met één productie;

- de memorie van antwoord in incidenteel appel.

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten
2.1

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en vanaf 2001

samengewoond. Uit hun relatie zijn twee thans nog minderjarige kinderen geboren.

Partijen hebben geen samenlevingsovereenkomst gesloten.

2.2.

In juli, dan wel september 2014 is de relatie tussen partijen geëindigd. [appellante]

heeft de gemeenschappelijke woning van partijen aan de [a-straat] 69 te [B] (hierna: de

woning) toen verlaten. [geïntimeerde] is met de twee kinderen van partijen in de woning blijven

wonen.

2.3.

Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning. Zij hebben deze woning gekocht

voor een koopprijs van € 240.000,-. De woning is op 30 januari 2004 aan hen geleverd. Uit

de akte van levering blijkt dat [geïntimeerde] twee derde onverdeeld aandeel in de woning heeft en

[appellante] een derde onverdeeld aandeel.

2.4.

Op de woning rust een hypothecaire lening. Partijen hebben voor de aankoop van de woning in 2004 een hypotheek afgesloten van € 240.000,-. Partijen hebben in 2007 een nieuwe

hypothecaire lening gesloten. Uit de hypotheekakte van 11 september 2007 volgt dat de

hypothecaire lening € 290.000,-, bestaande uit een aflossingsvrije hypotheek van € 210.000,- en een rendementshypotheek van € 80.000,-, bedraagt en dat partijen daarvoor hoofdelijk aansprakelijk

zijn.

2.5.

In opdracht van [geïntimeerde] is de woning in maart 2016 getaxeerd door de heer [C]

van [D] Makelaardij. De marktwaarde van de woning is toen bepaald

op € 195.000,-. Daarbij is vermeld dat de waarde meer dan 15% afwijkt van soortgelijke

objecten in de directe omgeving, dat de onderhouds- en bouwkundige staat van de woning

slecht is en dat de te verwachten kosten voor direct noodzakelijk herstel van achterstallig

onderhoud meer dan 10% bedragen van de getaxeerde marktwaarde.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg en in hoger beroep
3.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg (in conventie) – samengevat – gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de financiële afwikkeling van de beëindiging van de samenleving tussen partijen

uit te spreken op de wijze zoals in de dagvaarding onder 4 tot en met 14 omschreven,

II. [appellante] te veroordelen om op eerste verzoek van [geïntimeerde] haar medewerking te

verlenen aan de overdracht van haar aandeel in de woning aan hem, met machtiging van

[geïntimeerde] om het te wijzen vonnis in de plaats te doen stellen van de benodigde

wilsverklaring van [appellante] , indien zij niet binnen vier weken na betekening van het te

wijzen vonnis daaraan uitvoering geeft,

III. [appellante] te veroordelen om op eerste verzoek van [geïntimeerde] haar medewerking te

verlenen om de tenaamstelling van de hypothecaire lening te wijzigen in die zin dat

[appellante] niet langer op de hypotheekakte zal worden vermeld, met machtiging van [geïntimeerde]

om het te wijzen vonnis in de plaats te doen stellen van de benodigde wilsverklaring van

[appellante] , indien zij niet binnen vier weken na betekening van het te wijzen vonnis haar

medewerking daaraan verleent,

IV. [appellante] te veroordelen in de proceskosten.

3.2

[appellante] heeft in eerste aanleg (in reconventie) na wijziging en aanvulling van haar eis – samengevat – gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad:

primair

- te bepalen dat de woning tegen een waarde gelijk aan de hoogte van de hypothecaire

lening, vermeerderd met de...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT